Artikel

Amerikaanse vogelkers


Boekbespreking

Amerikaanse vogelkers: van bospest tot bosboom

De Amerikaanse vogelkers of ‚bospest’ (Prunus serotina). Een exoot. Ooit enthousiast binnengehaald als geluksbrenger, maar in geen tijd afgegleden tot steen des aanstoots en object van duiveluitdrijving.


Door Ruud Lardinois
Dit artikel is op 25-05-2013 geplaatst





Nyssen, Bart & Jan den Ouden en Kris Verheyen. (2013): Amerikaanse vogelkers: van bospest tot bosboom. KNNV Uitgeverij. Zeist. Bladzijden: 159.



Al in de 17e eeuw is de soort aangevoerd als weer iets nieuws voor parken en tuinen. Later is hij bij de grootschalige ontginningen van de ‘woeste gronden’ veel als bijmengsel toegevoegd aan de nieuwe dennenakkers. Waarna de Amerikaanse vogelkers al bij de eerste dunningen en houtoogsten zijn ware karakter toonde en zich ontpopte als een plaaggeest voor de houttelers. De liefde bleek spoorslags te verdampen. Sinds rond de zestiger jaren ontaarde het ongerief in een ware veldslag die tot op de huidige dag voortduurt. Daarbij vallen twee elementen op: het verspreidingsareaal en de dichtheid van de Amerikaanse vogelkers raakten, ondanks (dankzij?) de intensieve en jarenlange bestrijdingsacties tot een all-time high. Eenvoudige zielen zouden dan vaststellen dat het bestrijdingswerk niet effectief is. Gevolgtrekking twee is derhalve dat de bosbouw, van rond de laatste driekwart eeuw aldus niet alleen van de regen in de drup raakte, maar bovenal dat men er kennelijk weinig lering uit wist te trekken. Want de strijd woedt sindsdien onverminderd voort waarbij de strijdmiddelen allengs kwaadaardiger werden.

De kwestie escaleerde sinds de zeventiger jaren als een speer, evenals de toename van de Amerikaanse vogelkers. Op een intensieve bestrijding reageerde de soort evenzo fanatiek als haar bestrijders de veldslagen verhevigden, door op steeds meer plekken op te duiken. Hoe meer de bodems door de bestrijdingsacties werden verstoord, hoe meer de Amerikaanse vogelkers als haren op een hond terrein bleek te winnen. De bestrijdingsacties groeiden uit tot een nieuwe tachtigjarige oorlog.

Rond de tachtiger jaren van de vorige eeuw werd in sommige bossen zelfs DDT-achtig ontbladeringsmiddel over het boslandschap uitgegoten, zoals o.a. uit de correspondentie met aantekeningen in ons archief blijkt met een toenmalige bosbouwmedewerker op Veluwezoom. Maar de chemische spuit droogde niet op, want roundup & co worden sindsdien tot op de huidige dag nog steeds als bestrijdingsmiddel in natuurgebieden ingezet. Natuurlijk zal dit niet allemaal op het conto van de gewraakte vogelkers kunnen worden bijgeschreven, maar het zou ons niet verbazen indien de helft van de jaarlijks uitgespoten hoeveelheid roundup in bossen is bedoeld voor deze kwelgeest. Zo schreef een geërgerde bosbezoeker in 2010 een brief aan Natuurmonumenten over het gebruik van roundup (1). Hij beklaagde zicht bij de natuurorganisatie over het gebruik van dit middel: „In dezelfde gebieden, waar met veel zorg bedreigde zandhagedissen worden uitgezet en beschermde soorten als de heidekikker en levendbarende hagedis, ringslang en adder nog voorkomen, probeert men de Amerikaanse vogelkers uit te roeien met behulp van het omstreden landbouwgif roundup.” Desondanks is de huidige ‘voorraad’ Amerikaanse vogelkers in onze bossen groter dan ooit te voren. De financiële lasten zullen waarschijnlijk analoog zijn opgelopen, het resultaat diametraal bedroevend. Hier en daar sijpelt er wat gemor door in de hoofden van sommige beheerders die moedeloos raken en gaan twijfelen om nog meer geld en energie te steken in acties waarmee feitelijk de problemen alleen maar toenemen.




Vlijtige arbeid kan deze bosbestuurder hier niet ontzegt worden. Het is zwaar werk en later als we uitgerust zijn gaan we lekker verder. Het gevolg is echter de ultieme gunstige uitgangssituatie voor een hele reeks nieuwe Amerikaanse vogelkersen. Je kunt je zo misschien verlossen van één kwelgeest, maar als je even niet oplet krijg je er honderd(en) voor terug.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer.






Water tot de lippen
De vermeende gunstige eigenschappen in de productiebossen vielen dus al heel vroeg flink tegen en in de spreadsheets onder de dubbele streep bleken er evenmin weinig positieve cijfers te bespeuren. Is bosbouw een Jomanda-wetenschap of kan ecologisch inzicht enige klaarheid verschaffen? Strafbaarheidsstelling van deze illegaal helpt niet. Een mogelijke uitweg uit dit dilemma is de vaststelling dat de soort nooit meer geheel uit onze bossen zal verdwijnen en dat de mens zich dan in het bosbeheer misschien wijselijk beter kan richten op een begeleidend toelatingsbeleid. Op termijn, als het bos ouder wordt en het sluitende kronendak minder licht toelaat, blijkt de Amerikaanse vogelkers vanzelf van zeer dominant tot een bijrol te worden gedwongen. Dit effect ontstaat in beginsel vanzelf en behoeft geen bijzondere beheersmaatregelen. De waarschijnlijkheid van dit proces is al dertig jaar geleden in de eerste SKB-publicatie (1983) over deze boomsoort beschreven. Toen verkeerde bosbouwend Nederland nog in een hoogste staat van opwinding met deze soort, die zij ooit eerder zelf uit veronderstelde ethische of economische redenen uit verre overzeese oorden massaal in onze bossen importeerden. Hoeveel ergernis en jerrycans chemie zouden er sindsdien wel niet over onze bossen met Amerikaanse vogelkersen zijn uitgegoten, teneinde van dit ongemak verlost te worden? De SKB-studie toonde dertig jaar geleden al een ecologische uitgang uit de impasse. Geduld en uw problemen zullen vanzelf afnemen. En dat is precies een eigenschap die in bosbouwkringen node gemist wordt, in weerwil van het bekende spreekwoord. Men wenst echter snelle en dikke groeiers, geen verstoorders. En kaarsrecht en takvrij dienen de stammen te zijn, want zo zijn de wensen van de houthandel. Dat is geen natuur(beheer) maar bosbouw. Net als het telen van koolraben of tulpen.




Ook hier worstelt onze bosbouwende medemens zich moeizaam van kaalslag naar veldslag. Hij is hier blijkbaar van het type aanpakker, maar geen groot strateeg. We spreken zeker bewonderend van heel veel noeste arbeid. Alle grove dennen zijn gekapt en uit het landschap verdwenen. Als aan de kassa de deal is afgerekend krijgt hij er echter als bonus een huiveringwekkende hoeveelheid Amerikaanse vogelkersen voor terug. Van horizon tot horizon. Da’s een tegenvaller. Die krijg je met gewone strijdmiddelen niet meer weg. Met deze klus is onze eenvoudige bosbouwer overvraagd. Chemische euthanasie van een heel landschap kan deze treurnis mogelijk nog ‚oplossen’. Letterlijk.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer.






Dat onze stelling om de Amerikaanse vogelkers te accepteren kan leiden tot een flinke afnemende dichtheid van deze boomsoort in bossen, is in de praktijk onder meer aangetoond door ons initiatief om al in de zeventiger jaren van de vorige eeuw voor dit doel voor prunusreservaten te pleiten. In Drenthe is zo’n reservaat in 1981 gerealiseerd waar je goed kunt zien dat de Amerikaanse vogelkers in enkele decennia duidelijk blijkt te zijn afgenomen en het steeds moeilijker krijgt naarmate het kronendak zich sluit. De verjonging nam daar significant af ten gunste van andere boomsoorten en er kan beslist niet meer in termen van bospest gesproken worden. Ondanks dit betrekkelijk eenvoudige maar tijdrovende succes dwingt het ons toch over verdere ecologisch verantwoorde maatregelen na te denken, want er zijn natuurgebieden, denk aan de zeeduinen, waar de karakteristieke vegetatie door de Amerikaanse vogelkers wel degelijk wordt overlopen.




Dit bosreservaatje is een ontginningsbebossing op stuifzand. Er wordt hier al decennia niet meer ingrepen. Op deze zeer schrale plek is het bos nog relatief licht en open en kan de Amerikaanse vogelkers zich daarom langer handhaven. Edelherten hebben er diverse stammetjes geschild. Samen met de gaandeweg verminderde lichtval op de bosbodem krijgt de exoot ook hier op termijn nog slechts een bijrol ten gunste van inheemse soorten. Hier vaak eerst hulst, lijsterbes, eik en ook beuk.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer.





Boek
Zojuist is over dit thema een nieuwe informatieve publicatie verschenen. De subtitel van het werk laat op het eerste gezicht een dubbele interpretatie mogelijk. Want van “bospest tot bosboom” veronderstelt nieuwe houtteeltkundige mogelijkheden op oude doelstellingen. Maar al lezende blijkt er zich toch ook een voorzichtig pleidooi te ontstaan om de exoot meer als onderdeel van het bosecosysteem te gaan zien. In hoeverre het mogelijk is dat een soort die in een totaal ander ecosysteem is geëvolueerd en waarvan het bijbehorende ecosysteem en de daarin alle interacterende soorten aldaar zijn achtergebleven, is een interessante vraag. Het antwoord blijft in dit boek ongewis. Ter verdediging van de Amerikaanse vogelkers worden inzake de biodiversiteit wel enkele procesbeschrijvingen vermeld waarbij de soort bijvoorbeeld als waardplant voor andere organismen fungeert. Maar hoe die zich precies verhouden als je de Amerikaanse vogelkers bijvoorbeeld zou vervangen door verwante inheemse boom- en struikvormende soortsvarianten, blijft onduidelijk. Overtuigend is dit deel allerminst. Het vraagt beslist meer onderzoek teneinde daarover meer steekhoudende gegevens te kunnen overleggen. De soorten die baat hebben bij de Amerikaans vogelkers als waardplant of vermeende gunstige effecten op de bodem en bosontwikkeling, mogen ook verwacht worden van de set inheemse boom- en struiksoorten die nu veelal in onze bossen ontbreken omwille van de productiedoelstellingen. In onze huidige vaak zeer verarmde bossen, die meestal een bosbouwkundige achtergrond hebben, zijn er zeker situaties denkbaar waarbij de Amerikaanse vogelkers biodiversiteitsverhogend kan werken. Maar natuurlijk geldt dat evenzo voor andere inheemse en autochtone soorten en wellicht nog meer van verwante soorten zoals onder meer de Europese vogelkers (gewone vogelkers (Prunus padus)), ook al zijn ze ecologisch niet één op één uitwisselbaar.

Wat kan zijn rol zijn in de nieuwe hier geldende bosecosystemen, is een vraag waarbij de lezer toch met een wat onbestemd gevoel achterblijft. Dan hebben we er meer begrip voor dat de auteurs toch vooral kiezen voor een bosbouwkundige uitweg. Een lans breken voor het verminderen van de houtproductie is ze nog een stap te ver. Houtproductie is in Nederland immers structureel verliesgevend (CBS). Dat er desondanks soms zwarte cijfers worden geschreven, meest slechts een paar tientjes per ha per jaar - een gemiddelde hedendaagse puber zal zich tekort gedaan voelen met zo’n bedrag aan maandelijks zakgeld - is het gevolg van interventie van de overheid die rijkelijk strooit met subsidiegelden. Bestrijding kost de beheerder (overheid?) overigens een veelvoud van dit bedrag wat kan oplopen tot al gauw een paar duizend euro per hectare. Om definitief een heel gebied te zuiveren van deze exoot rekenen de auteurs ons voor dat daarvoor zo’n dertig jaar dient te worden uitgetrokken. Hoe definitief dan weer ‚definitief’ zal blijken te zijn? Dan dient men daarbij overigens wel een gecombineerde bestrijdingsstrategie toe te passen van mechanisch èn chemisch, terwijl men de teugel geen seconde mag laten vieren, want dan is men weer terug bij af, zo vernemen we uit het boek. Dit deel verschaft de lezer zeker goede hulpmiddelen hoe die bestrijding effectief is aan te pakken en af te ronden. Van u als beheerder/bestrijder wordt dan in overdrachtelijke zin verwacht niet al te kortademig te zijn.


Bomen in de hemelen
Het besproken werk kiest uiteindelijk vooral de bosbouwkundige lijn om de Amerikaanse vogelkers op te nemen in het bossysteem. Al was het maar omdat tal van beheerders bepaald niet happig zijn om de strijdbijl te begraven. “Het klopt allemaal, maar ik ben er emotioneel niet aan toe” ventileert een bosbouwer openhartig zijn positie. Nyssen en mede-auteurs kiezen dan ook voor een verdediging die uit meerdere niveau’s bestaat. De eerste lijn is die van niets-doen. Het bos mag zich verder ontwikkelen en de ergernis verdampt zoals aangegeven vanzelf. Dan gaan zij verder in diverse strategieën die worden geïntegreerd in een bosbouwkundige beheerslijn met aftakkingen. De auteurs maken aannemelijk dat Amerikaanse vogelkers een zeer waardevolle houtsoort kan leveren waar al eeuwen zeer bijzondere meubelstukken uit worden vervaardigd. Natuurlijk in het Noord-Amerikaanse thuisland zelf. Wie kent niet de uitzonderlijk fraaie Shaker-meubelen waarvan sommige overgeleverde producten als stoelen en kasten heden tonnen per object opbrengen en vaak ook belangwekkende museumstukken zijn? De kwestie is echter dat in onze streken dik kwaliteitshout uit Amerikaanse vogelkers moeilijk is te verkrijgen. Deze bomen groeien ook hier niet tot in de hemel maar meestal warrig en krom. Om beter hout omhoog te krijgen vergt intensief begeleidend bosbeheer. En dat zien wij niet zomaar in onze bossen gebeuren en zal, indien ja, vermoedelijk als hoogwaardig toepassingshout toch een nicheproduct blijven. Onze bosbouw is vanouds onmiskenbaar toch vooral bulkbosbouw van zeer laagwaardige producten, zoals papier- en vezelplaathout. Kwaliteitshout is in onze bossen meer een toevalskwestie en projecten om dit te verbeteren mislukten maar al te vaak. Ook het aandeel hout van eigen bodem zou met een groots overheidsplan uit de jaren negentig moeten gaan groeien van rond 8% toen naar 25% in 2010. Heden vernemen we van deze luchtballon weinig meer. We kennen uit het buitenland echter wel bosbouwproducten van zeer hoog niveau zoals de teelt van fineereiken en fineerelsbes. Vooral de laatste levert soms enkele tienduizenden euro’s per kuub hout op. In Nederland zijn dergelijk kwaliteitsproducten nooit van de grond gekomen. Vrijwel al ons hout verdwijnt in de onderste regionen van de productkolom. Recent neemt zelfs het versnipperen van bossen als (bij)stook in energiecentrales een hoge vlucht. Nou ja, sneller raak je niet van je mooie bos af, zullen we maar zeggen. Veel beestjes en plantjes blijven zo werkloos in het bos achter, en wie in het bos werkloos raakt krijgt geen toelage of schadevergoeding, maar gaat dood en verdwijnt. Niet zelden ook gestimuleerd door het verlenen van subsidies ergens in het traject van teelt en verbranding. Niettemin is het goed dat de auteurs met deze publicatie voor een mogelijke kwaliteitsopschaling kiezen. Dit subthema neemt het belangrijkste beslag in het boek, namelijk om diverse aspecten van teeltaanpassingen te beschrijven en te wegen, met het doel een bosbeheer na te streven waarbij de soort (beperkt) in het bossysteem wordt opgenomen enerzijds en anderzijds om het hout van de Amerikaanse vogelkers hoger te waarderen. Zoals gezegd zijn de delen over hoe een effectieve bestrijding aan te pakken meer dan lezenswaardig.




Je kunt een Amerikaanse vogelkers heel vaak tot op zijn enkels afzagen en even zo vaak loopt hij dan vrolijk weer uit. Strikt genomen zal de aanhouder winnen, maar de praktijk wijst uit dat dat maar zelden gebeurt. Eén onoplettend moment en hij staat weer even zo vrolijk de beheerder toe te lachen. Inderdaad, de Amerikaanse vogelkers brengt ook humor in het productiebos. Overigens betreft het hier een andere exoot, die veel minder dominant optreedt, namelijk Amerikaans krentenboompje (Amelanchier lamarckii).

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer.






Resumé
Puur ecologische nieuwe inzichten dragen de auteurs weinig aan. Voor de gemiddelde bosbouwpraktijk is het boek echter een zinvolle aanvulling. Ook natuurbeheerders, denk aan de duinen, kunnen er hun voordeel mee doen. De kern van ons belangrijkste kritiekpunt is dat de diverse ‘oplossingen’ meest in het teken staan van beheersdoelen met een productiefunctie. Over het opnemen van de Amerikaanse vogelkers in een ecologische context naar natuurbosontwikkeling loopt naar onze indruk het spoor in het boek snel dood. Voorts kan worden opgemerkt dat het thema ook in relatie tot natuurlijke begrazing en/of natuurtechnischbosbeheer, maar ook natuurbosontwikkeling in het algemeen, door de auteurs nauwelijks aan bod komt. Laat staan dat bij natuurbosontwikkeling, met name als het aanwezige herbivorenspectrum completer wordt, ook meer open en half-open structuren (ecologisch gezien bosrandsoorten) in het bos gaan ontstaan en hoe dan de rol van de Amerikaanse vogelkers daarin kan worden beschreven.

Het boek volgt dus vooral de soort in bossen met een nutsfunctie. Dat zijn bijna altijd meer of minder bossen met een doorgaans zeer onvolledig boomsoortenspectrum en onvolledige levenscycli en met een hoog aandeel van de arbeidende en sturende mens. Anders geformuleerd: productiebossen met veelal een pionierskarakter waar de Amerikaanse vogelkers zich meer dan uitstekend in thuisvoelt. Dat maakt dat daar vanouds intensieve sturing van de Amerikaanse vogelkers gewenst geacht werd en wordt. Hoewel het boek een gedifferentieerde beheersstrategie presenteert, blijft de puur ecologische visie op natuurlijke bosontwikkeling onderbelicht. Er zijn vegetatietypen zoals in de duinen, waar een productiefunctie minder prominent is, maar de karakteristieke vegetatiestructuren vrij open en licht zijn. Daar is de last van de Amerikaanse vogelkers extra zwaar, omdat kenmerkende duinsoorten zwaar kunnen lijden van de aanwezigheid van deze exoot.




Onze gehoornde vriendjes lusten wel een Noord-Amerikaans hapje. Wat je in de natuur opeet is echter nog niet weg. Integendeel, het dwingt soorten zich te specialiseren, verdedigingsstrategiën te ontwikkelen, of een bepaalde niche in te nemen voor een duurzame rol in het ecosysteem. Voor een vreemdeling die uit een geheel ander bosecosysteem geplukt is en elders wordt gedumpt, kan zo’n verdediging om te overleven ook verwacht worden. Het proces van survival of the fittest vergt echter misschien wel enkele duizenden jaren. Maar we hebben toch ook nog onze inheemse vogel- en andere ‚kersen’? Telt u op uw favoriete boswandelingetje eens het aantal Europese vogelkersen in uw geliefde bos…

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer.






Het is het eeuwige bosbouwdilemma: een soort die zich dominant gedraagt en geen economisch verantwoorde nutsfunctie kent wordt als ‘bospest’ gekwalificeerd. Een douglas, lariks, de talrijke sparrensoorten en -cultivars - we zwijgen nog maar over de genetisch ‚gemodificeerde’ versies die al staan te trappelen om mee te mogen doen - enzovoort, enzovoort, om maar een paar voor de gebruikelijke bosbouwpraktijk eveneens geïntroduceerde exotische soorten te noemen, worden aldaar wèl van harte geaccepteerd. Eenvoudig omdat zij financieel voordeel opleveren tegen lage kosten (vermeerderen zichzelf of met weinig extra beheersingrepen). De ecologische schade die dergelijke exotische soorten berokkenen is in bosbouwkringen in Nederland nauwelijks een discussiethema. Er is weinig hoop dat met dit overigens nuttige werk dit gespreksonderwerp na ongeveer honderd jaar ‘bospest’ zal veranderen. Waarschijnlijk zullen alleen de hoge bestrijdingskosten in combinatie met de zeer geringe opbrengstwaarde van de Amerikaanse vogelkers een sleutel kunnen vormen naar een lang verwachte meer open discussie in het bosbeheer, waarbij de soort op termijn meer zal worden geaccepteerd. Naar onze indruk is de grootste verdienste van dit werk dat het straffe bosbouwers uitnodigt voor een warm gesprek. Al was het maar met zichzelf. Een flinke massage kan inderdaad geen kwaad. Vooral voor natuurbeheerders van bossen in natuurgebieden waar de opbrengsten uit hout wat ons betreft beter in functie van de natuurlijke (bos)ontwikkeling dient te staan.




Fraaie bloeiende gewone of Europese vogelkers (Prunus padus).

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer.





Fraaie bloeiende Amerikaanse vogelkers of ‚bospest’ (Prunus serotina)

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer.







Nieuwsblad van het Noorden. Kritisch Bosbeheer dreigt met rechter tegen Natuurmonumenten vanwege voorgenomen kap van een bosje met Amerikaanse vogelkers bij Norg (22-08-1981).




Bronnen
Anoniem (22-08-1981): Stichting Kritisch Bosbeheer dreigt met rechter voor behoud van vogelkers: Prunus-neurose in Norg. Nieuwsblad van het Noorden. Groningen.

Cosijn, R., C. Hendrikse, H.van der Lans (1983): Het natuurtechnisch beheer van de Amerikaanse vogelkers: De Amerikaanse vogelkers in de Nederlandse bossen. Stichting Kritisch Bosbeheer. Utrecht. Bladzijden: 28.

Nyssen, Bart & Jan den Ouden en Kris Verheyen. (2013): Amerikaanse vogelkers: van bospest tot bosboom. KNNV Uitgeverij. Zeist. Bladzijden: 159.




1] Reactie Natuurmonumenten
Natuurmonumenten heeft de afgelopen tien jaar o.a. geëxperimenteerd met gebruik van schimmels (loodglansschimmel) op de stobben, met herhaald afzetten en met het niet gebruiken van roundup. Dit bleek helaas zo weinig effectief en efficiënt dat het hiermee praktisch niet goed mogelijk is de Amerikaanse vogelkers afdoende te bestrijden. Vaak worden de problemen dan ook groter. Verder moet worden opgemerkt dat het aantal vrijwilligers dat zich met de bestrijding van Amerikaanse vogelkers bij Natuurmonumenten bezig houdt reeds honderden bedraagt. Ook elders zijn op dit moment helaas geen praktisch werkbare alternatieven ontwikkeld om op de schaal waar het nodig is te kunnen uitvoeren zonder een nog veel hogere kostenniveau dan het nu al hoge niveau, waarbij de uitvoering al nauwelijks is te realiseren.