Artikel

Hoge Veluwe onnatuurlijk jachtwildpark


Het park de Hoge Veluwe wordt door journalisten en publiek soms verward met de Veluwe. De eerste is een wildpark van 5000 hectare, de tweede een streek van vrijwel 100.000 hectare.

De Hoge Veluwe is een bedrijf. Bedrijven moeten winst maken om te overleven. De Hoge Veluwe gaat er prat op een goede zakelijke bedrijfsvoering te hebben waarmee ze hun eigen broek kunnen ophouden. Maar omdat dit bedrijf landschappen verkoopt, zijn veel overheden wel degelijk bereid om dat ruimhartig te subsidiëren. Er zijn op het gebied van natuur en cultuur tientallen subsidieregelingen, belastingkortingen- en vrijstellingen. De daarvoor te leveren diensten worden door de diverse overheden zelden gecontroleerd en geëvalueerd. Inzichtelijk voor het publiek zijn deze bestedingen van publieksgelden al helemaal niet. In 2011 zegde de provincie Gelderland echter het voornemen te hebben om een jaarlijkse subsidie van 350.000 euro aan de Hoge Veluwe te willen stopzetten. De uitkering van deze enorme zak geld die elk jaar maar weer als vanzelfsprekend klaarstond, wilde de provincie vanaf 2011 alleen nog continueren indien de kassa’s, die het publiek naar het park de doorgang beletten, zouden worden afgeschaft. Want, zo was terecht het motto, je kunt het publiek niet tweemaal voor hetzelfde laten betalen.

Maar hoe staat het met de natuur op de Hoge Veluwe? Het park wordt toch ook als een natuurgebied gepresenteerd, en op basis van het natuurbeleid worden toch ook de belangrijkste subsidiegelden binnengeharkt? Wel, die natuurlijkheid blijkt tegen te vallen. De bedrijfsleiding van het wildpark is weinig scheutig om een natuurlijke ontwikkeling in de landschappen toe te laten. Vrijwel alles daar is kunstmatig en komt uit de kokers van landschapsarchitecten en managers. Een soort Efteling dus, maar dan voor natuur. Met de natuur als een levend en zichzelf ontwikkelend mechanisme heeft men op de Hoge Veluwe weinig op. Zelfs het bos, als meest natuurlijke vegetatievorm in onze streken, die ook wel climaxvegetatie wordt genoemd, is er onderdeel van economische belangen in de bedrijfsvoering. Dat is al zo sinds de aankoop in 1935 van het gebied toen de woeste grond grootschalig door aanplanten werd ontgonnen en is onveranderd geldig tot op de huidige dag, ondanks het onderstaande eerder gedane relaas van een doorgewinterd kenner van het park, Frans Duermeyer.







Door: Frans Duermeyer

Dit artikel is op 30-05-2012 geplaatst
Dit artikel is eerder gepubliceerd in MOLM van mei 1993






Het nationaalpark De Hoge Veluwe heeft een oppervlakte van ruim 5000 ha en is gelegen in de driehoek Arnhem-Otterlo-Hoenderlo. De bodem is er over het algemeen zeer arm. De ondergrond wordt gevormd door stuwwallen (stuwwal van Oud-Reemst en de Oost-Veluwse stuwwal), dekzand en stuifzand. Op sommige plaatsen zijn ondoorlatende lagen in de bodem ontstaan. Daar vinden we enkele grote en veel kleinere vennen. Grote delen van het park bestaan uit vergraste heide en tal van stuifzandbebossingen. Hier en daar komen stukjes loofbos voor. In dit artikel wordt ingegaan op de vier pijlers van het beheer, namelijk recreatiebeheer, heidebeheer, wildbeheer en bosbeheer, en vooral op de strijdigheid tussen beheer en natuur. Als trouwe bezoeker ken ik dit park zeer goed. Mijn eerste bezoeken dateren van 1969. Sindsdien kom ik er vrijwel wekelijks.




Een vlijtig stukje huiswerk van de moderne bosbouwer op de Hoge Veluwe zullen we maar zeggen. Een twaalfstammige vliegden is hier een kopje kleiner gemaakt. Het betreft ‘De Pollen’, een eerder kunstmatig met natuurvreemde dennenbossen ingeplant gebied dat later weer is opengekapt om er stuifzand uit te vervaardigen.

© Foto: Stichting Kritisch Bosbeheer





Recreatiebeheer
De Hoge Veluwe wordt zeer druk bezocht, vooral in de zomermaanden. Jaarlijks passeren er ruim een half miljoen bezoekers de toegangshekken. Dwars door het park loopt van noord naar zuid een autoweg. Deze weg heeft vanaf de Compagniesberg een westelijke tak, richting Oud-Reemst. In het noordelijk gedeelte vinden we nog meer verharde wegen. Het is nog steeds toegestaan om sommige zandwegen per auto te berijden. Plaatselijk zijn er enkele parkeerplaatsen, zoals bij het Kröller-Müller-museum, het bezoekerscentrum de Koperen Kop en bij het Hubertusslot. Overigens mag men zijn voertuig langs alle wegen parkeren, tot zelfs dertig meter van de berm. Op drukke dagen heeft het park soms meer het aanzien van een groot autopark, dan van een natuurgebied.

De Hoge Veluwe kent verder een netwerk van verharde fietspaden met een totale lengte van ruim veertig kilometer. In het centrum, bij de Koperen Kop, kunnen bezoekers gratis witte fietsen lenen. Veel mensen maken er gebruik van. De gemeente Arnhem exploiteert in de zomermaanden en tijdens de vakantieperioden een buslijn over de Hoge Veluwe. Op elk gewenste plek kan men in- en uitstappen.




Hier zien we in een rustgebied op de Hoge Veluwe een ingang naar een kelder waarin grote hoeveelheden voederproducten zijn opgeslagen om het jachtwild in donkere tijden mee te voederen.

© Foto: Stichting Kritisch Bosbeheer






Naast het restaurant, het bezoekerscentrum en het museum, is er voor de meer natuurgerichte bezoeker een observatiebos aangelegd, een jachthuis, een wildkansel en enkele wildobservatieposten. Recentelijk is er ondergronds een tentoonstelling gemaakt van in de bodem en holen levende planten en dieren. Natuurlijk zijn er tal van wandelroutes en mag men overal wandelen, behalve in de veelvuldig voorkomende rustgebieden. Op het gebied van recreatie zouden twee zaken moeten gebeuren om de toenemende druk op het gebied te verlichten en beter te verdelen. Men zou een aantal wegen voor het autoverkeer kunnen afsluiten, vooral de Wildbaanweg en zijn westelijke zijtak tussen de ingang Schaarsbergen en het museum. De weg moet uiteraard wel open blijven voor niet gemotoriseerde bezoekers en de busdienst. Verder is het beter de witte fietsen niet in het centrum van het park te stallen maar bij de ingangen. Dit voorkomt veel autoverkeer. Een hogere frequentie van de buslijn zal het autogebruik waarschijnlijk ook kunnen verminderen. In feite zou hier ook ‘oppervlaktebeheer’ kunnen staan. Want als men ergens zijn best doet om alle landschappen open te houden, dan is het wel op de Hoge Veluwe. Soms denk ik wel eens dat de beheerders, staande in Hoenderlo, de contouren van Arnhem wil blijven zien. Veel jonge bossen van spontaan opgeslagen boompjes moesten daarom wijken voor open terrein. Deze boompjes worden dan gerooid en meestal verbrand. Ook Stichting Kritisch Bosbeheer stelt vraagtekens bij deze dure beheersmaatregelen om heide en zandverstuivingen te behouden. Zij zien dat geld liever besteedt aan natuurontwikkeling en omvormingsbeheer naar een herstel van het ecosysteem bos. Ik ben van mening dat dergelijk grootschalige beheersgebieden niet passen in een natuurlijk Nederland. Graag zou ik het kappen in en van vliegdenbossen niet voortgezet zien. Voor de veengebieden bij Oud-Reemst en het Deelense Veld kan een uitzondering gemaakt worden vanwege de bijzondere vegetatie met reptielen en amfibieën en bijzondere vlinder- en vogelsoorten. Alleen kleinschalig plaggen ten behoeve van deze diersoorten is zinvol. Zo kan tegen relatief geringe kosten ook voldaan worden aan het cultuurhistorisch motief. Aansluitend kan op grond van ditzelfde argument bij Oud-Reemst een gedeelte open blijven als een relict van droge heide.




Alle bossen op de Hoge Veluwe hebben een niet-natuurlijke oorsprong. Het zijn feitelijk saaie ontginningsbebossingen. Dat men dat zo wil houden blijkt ook uit deze enorme stapel hout. Denk niet dat dat veel voor ons land oplevert. Het gaat om een slechte kwaliteit hout waaruit men vooral relatief laagwaardige producten uit vervaardigt zoals papier of spaan- of vezelplaat. De eerste typen producten worden tegenwoordig terecht steeds vaker uit oud-papier gemaakt en het laatste gebeurt niet of nauwelijks nog in eigen land. De dichtstbijzijnde vezelplaatfabrieken staan in Belgïe. Dat betekent zware transporten over grote afstanden. De bosbouwkosten van aanplant, onderhoud, kap en transport, zijn zo hoog dat dergelijk bosbouwpraktijken structureel verliesgevend zijn. Althans voor ons allen als samenleving, want de overheid past doorgaans flink bij in de vorm van subsidies, zoals kwijtschelding van omzet- en andere belastingen, terwijl niet zelden rechtstreeks subsidies worden verleend voor aanplant, de aanleg van rasters, enzovoort.

© Foto: Stichting Kritisch Bosbeheer






Bosbeheer
Zoals ik al eerder schreef: het park heeft een overwegend arme bodem. Grote delen zijn dan ook aangeplant met grove den. Op wat betere plekken heeft men een meereizend soort naaldbos aangelegd, hier en daar staan eik en beuk. Grote delen bestaan uit onnatuurlijk opgeslagen vliegdennenbos. Het bosbeheer is afgestemd op houtproductie. Sinds kort zijn er enkele kleine bosreservaten ingesteld. De januaristormen van 1990 lieten de eenvormige bosopstanden niet ongemoeid. Tot mijn spijt werd overal het stormhout zeer voortvarend geruimd. Feitelijk alleen in het bosreservaat 'Siberië' mochten omgewaaide bomen liggen blijven. De grens van het reservaat hield men echter strikt in acht: geen cent te veel hoor! Links van het bospad was alles keurig geschoond, rechts bleven omgewaaide bomen liggen. Deze treurige en krenterige houding van de beheerders was voor mij de aanleiding om hierover, samen met de voorzitter van Stichting Kritisch Bosbeheer eens te gaan praten met de parkleiding. Het gesprek verliep zeer teleurstellend. De directeur liet ons desgewenst weten dat de Hoge Veluwe een park is en geen natuurgebied!


Wildbeheer
In het park leven ongeveer 200 edelherten en een even groot aantal moeflons. Verder een honderdtal reeën en om en nabij 60 varkens. De herten, moeflons en zwijnen bevinden zich in een afzonderlijk ingerasterd gedeelte. Alleen de reeën mogen overal binnen het grote raster van de Hoge Veluwe komen. Er zijn zeven rustgebieden ingesteld, die strikt verboden zijn voor bezoekers. Het meer voedselrijkere noordoostelijk deel en het zuidelijke deel, zijn voor deze dieren taboe. Lange en hoge rasters moeten dit afdwingen. Een jachtopziener liet zich eens ontvallen dat “ze het wild in een zandbak hebben gestopt”.

Op advies van Harm van de Veen is men in 1990 op bescheiden schaal begonnen met de herinrichting van de rustgebieden. Doelstelling was om het voor bezoekers meer zichtbaar te laten zijn van de edelherten. Daarom luidde het advies: rustgebieden verleggen naar open terrein en het jachtseizoen sterk verkorten. Men verkoos de rustgebieden te plaatsen in half open terrein. Ook het massale bijvoeren werd afgebouwd en beperkt tot nawinter en vroege voorjaar. De jachttijd werd iets ingekort. Inderdaad ziet men sindsdien iets meer wild. Echter alleen bij het Bosje van Staf is overdag een goede kans dieren te zien. Op andere open gedeelten zie ik vrijwel nooit wild. Op het Deelense Veld moet ik na 23 jaar mijn eerste edelhert nog tegenkomen. De verspreiding van het wild in het gebied is nog steeds slecht. Ook de drijfjachten op wilde zwijnen en vossen gaan gewoon door. Op het punt van bos- en wildbeheer zou ik heel graag de houtproductie willen stopzetten en inwisselen voor meer natuur langs de weg van natuurlijke processen. Het hele park moet toegankelijk worden voor alle wilde dieren. De tussenrasters kunnen dus weg. De directe omgeving van het jachtslot, rond de Koperen Kop en het museum zouden omwille van het cultuurhistorische motief uitgezonderd kunnen blijven. Plezierjachten en drijfjachten kunnen wat mij betreft definitief naar het museum. De rustgebieden moeten daadwerkelijk verlegd worden naar open terrein. Enkele bosranden kunnen daarin worden opgenomen. Uiteindelijk is mijn ideaal dat de buitenrasters ook verdwijnen zodat het wild zich, zoals het hoort, weer vrijelijk over de Veluwe kan verplaatsen.


We leven in een dicht bevolkt land. Voor natuur en natuurbeleving is er steeds minder ruimte. Grootschalige natuurontwikkeling kan alleen nog op de Wadden en op de Veluwe. De Veluwe is groot genoeg voor natuurlijke processen. Het nationaal park de Hoge Veluwe ligt midden op die Veluwe. Wat mij betreft gaan we van de Hoge Veluwe naar de Grote Veluwe!




De foto toont wel een heel kras staaltje natuurbeheers-broddelwerk. Het landschap op de Hoge Veluwe lijkt hier helemaal te zijn volgelopen met jakobskruiskruid. Alle gele planten op de foto zijn uitsluitend jakobskruiskruid. De stapel uitgerukte planten op de voorgrond is er één van vele. Het gaat hier om het met de hand (!) uittrekken van jakobskruiskruid. Het wordt doorgaans zelfs op kosten van vrijwilligers uitgevoerd of door laagbetaalden zoals werknemers van sociale werkplaatsen.

Jakobskruiskruid is een plant die de laatste jaren een zeer slechte naam heeft gekregen in veehouderskringen, omdat hij giftig is voor huisdieren als paarden en koeien. Dat geldt echter alleen wanneer de plant in hooi voorkomt. Zo op het land wordt het nooit door dieren gegeten. Koeien en paarden komen op de Hoge Veluwe niet voor, terwijl het wild als edelherten en moeflons er nooit door worden getroffen. Maar kennelijk hebben de beheerders er door de slechte naam een hekel aan gekregen en willen ze de planten koste wat het kost verwijderen. Opmerkelijk is de zeer massale opslag van de plant hier op de Hoge Veluwe, wat niet anders dan een gevolg kan zijn van het gevoerde beheer. We kijken namelijk uit op een wildakker midden op de heide, die regelmatig wordt bemest en bewerkt om er voedergewassen voor het jachtwild op te telen. Dat wild kan immers onmogelijk in een schrale zandbak in zulke aantallen gedijen zoals in het artikel is genoemd. En die ongewoon grote aantallen wild op de Hoge Veluwe zijn uiteraard gewenst vanwege de lucratieve sportjachten. Waarvan u overigens als bezoeker zo goed als niets zult merken omdat de jacht er natuurlijk uitsluitend plaatsvind buiten de openingstijden. Natuurlijk! Het enige natuurlijke op de Hoge Veluwe.

© Foto: Stichting Kritisch Bosbeheer