Artikel

Spanderswoud


Boekbespreking: Twaalf jaar natuurbosontwikkeling in het Spanderswoud

Wie vanuit Amsterdam over de provinciale weg, liefst per fiets, het Gooi nadert, ziet ter linkerzijde de moerasbossen van het Naardermeer en recht voor zich, maar denkbeeldig, namelijk achter de boomgroepen van het landgoed Schaep en Burgh, het Spanderswoud. Beide natuurgebieden vertonen naast grondige verschillen, het ene gelegen op laagveen, het andere op zandgrond, enige opmerkelijke overeenkomsten. Het Naardermeer en het Spanderswoud zijn begin deze eeuw op het nippertje uit de klauwen van de vooruitgang gered. Terwijl het Naardermeer als vuilstort voor Amsterdam dienst moest doen, bedacht de gemeente Hilversum voor het Spanderswoud een hygiënischer oplossing: een villawijk.




Door: Kees Piël

Dit artikel is eerder gepubliceerd in MOLM, nr. 4, 1993.
Dit artikel is op 13-03-2012 geplaatst





Besproken boek: Het Spanderswoud




Anders geschiedde. Het Naardermeer werd in 1906 ons eerste natuurmonument, het Spanderswoud kreeg als eerste de bestemming natuurbos. De opvolgers van Jac. P. Thijsse (zelf voorvechter van een ongerept Naardermeer) die toen al jaren op Schaep en Burgh kantoor hielden, moesten in 1981 met lede ogen toezien hoe een ordinaire gemeente in hun achtertuin het voortouw nam in natuurtechnisch bosbeheer. De primeur-status van het Spanderswoud - grote beheerder, groot bos (200 ha) - is op zich juist, maar al eerder was het toch de Stichting Vrijwillig Bosbeheer (SVB) die vanaf mei 1979 in het noorden des lands zijn activiteiten in kleinere bossen aanving. Grote promotor was Hans van der Lans, initiator ook van SVB, door in april 1978 in het Drentse Lieveren met lieren een bosje van Staatsbosbeheer zowat half omver te trekken.

Ter gelegenheid van het twintigjarige bestaan van Vereniging Leefmilieu het Gooi, de Vechtstreek en omstreken, verscheen vorig jaar, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Hilversum, het boek Het Spanderswoud. Hierin wordt een belangwekkend overzicht gegeven van de moeizame weg waarop het bos, na eeuwen van overexploitatie, op een kale heide, met hulp van de mens, maar ook door tegenwerking van die zijde, zich poogde op te richten.


Een duik in de boshistorie
Wanneer het oer-Spanderswoud voor het eerst door de mens werd aangetast, daarover geeft het boek geen uitsluitsel, wel dat het Gooi in de Middeleeuwen geheel was ontgonnen. Tot ver in de 18e eeuw was het gebied onderdeel van het potstalsysteem. In 1775 brachten de ‘s-Gravelandse landgoedeigenaren de eerste bebossingen tot stand. Zo ontstaan de 'Achterbosschen'. Waar nu de reeks van landgoederen zich uitstrekken werd tevens veel zand afgegraven. Dat leverde voor een hoekje van het woud enige fraaie singels op èn een stukje droog Essen-Iepenbos. Overigens groeiden er meer en meer beuken, eiken en grove dennen.

Het idee om een villapark aan te leggen kwam op bij een baron en een baronesse, maar werd later gretig door de gemeente Hilversum overgenomen. Dit was in 1917 voor dr. J. Th. Oudemans, voorzitter van het jonge Natuurmonumenten, aanleiding om in een brief de gemeente te vragen het natuurterrein te sparen. Het antwoord was negatief; de brief die de gemeentearchitect Dudok opstelde is smalend. In 1920 kocht Hilversum van drie eigenaren het bos. De eerste aankoop had de akte nog niet gepasseerd of kunstschilders hielden een pleidooi een hunner in de commissie te benoemen die de bebouwing moest voorbereiden. Dat gebeurde, en volgens een rapport uit 1921 bleek de bouw in het hele bos infrastructureel een te kostbare aangelegenheid, maar ook mocht "het gevoel voor het oneindige van het bosch" niet verloren gaan. Er bestond echter ook weinig animo bij particulieren om bouwgrond aan te kopen, zodat uiteindelijk slechts een strook aan de zuidrand bebouwd werd.

Een ander rampzalig project uit die tijd betreft een tramlijn naar Amsterdam dwars door het bos. Dat wekte de verontwaardiging van Eerste Kamerlid Henri Polak, en het is vooral aan hem te danken dat dit snode plan niet is doorgegaan. Hij is zo'n beetje de Thijsse van het Spanderswoud. In 1927 verklaarde de gemeenteraad het Spanderswoud tot openbaar bos.


Het beheer: kaalkappen, afvoeren en leegharken
Een van de eerste primitieve intentieverklaringen tot natuurbosbeheer in ons land vinden we bij de genoemde commissie van advies, en dat in een gemeente die later hoogstandjes van kunstmatige en tegenstrijdig bosbeheer ten beste blijkt te geven. Een richtlijn van de cie. uit 1921: "De beste wijze van onderhoud voor het bosch, dat niet wordt bebouwd, acht de commissie die, waarbij zoo weinig mogelijk aan onderhoud wordt gedaan." Van houtexploitatie werd niet gerept, en inderdaad, begin 1921 blijkt een aangevangen dunning te zijn stopgezet. Ideaal zijn de richtlijnen voor het 'natuurbosch' nu ook weer niet, want "het verwijderen van dood hout is geoorloofd". In 1929 sluit Hilversum een langjarige overeenkomst met het Staatsbosbeheer (SBB). De reden blijft duister, misschien om de jaarlijkse subsidie van 3000 gulden te innen. De gemeente is dan wel verplicht "in overleg met en tot genoegen van het Staatsbosbeheer" het bos te beheren. Van enig natuurbosbeheer is dan geen sprake meer. Staatsbosbeheer dringt aan op ingrijpende houtteeltkundige maatregelen. De combinatie werkverschaffing-Staatsbosbeheer staat begin jaren dertig garant voor het verwijderen van al het dode hout, inclusief takken. Tegen deze verschralende werking in werd ten behoeve van een betere strooiselvertering onder naaldbomen, Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers aangeplant. Tevens werden hele stukken bos omgespit, terwijl een enkel perceel met stadsvuil werd bemest. In de hongerwinter 1944-1945 kapte de bevolking grote delen van het bos, maar al in 1950 is een herstelprogramma voltooid. De jaren vijftig staan in het teken van vrijstellen, dunnen inboeten en enige bemestingen met kalkmergel. Men loopt ieder jaar het bos na op dood en kwijnend hout; dat resoluut wordt verwijderd, de vrees voor insectenplagen zat er goed in. Van deze uitvaartregeling werd zeker tot 1971 gebruik gemaakt. Het beheer wijkt steeds meer af van de natuurlijke toestand. Werden er tot 1940 voornamelijk loofbomen gebruikt, na de oorlog gaat men over op naaldbomen. Dit omdat de Corsicaanse den tot een lonkende globale jaarproductie zou komen van 12 m3 hout, terwijl de zomereik tot dan slechts reikt tot een 'magere' 4 m3. Toch kost het beheer altijd meer geld dan de opbrengsten van het hout. Rode cijfers dus.


De jaren van natuurbeschermingsvictorie
Eind jaren zeventig raakt een nieuwe generatie natuurliefhebbers, ditmaal leden van de werkgroep Leefmilieu Het Gooi en van de Vereniging Vrienden van het Gooi, betrokken bij gemeentelijke plannen tot herinrichting en beheer van het bos. Eerder werden protesten geuit tegen een plan om het bos toegankelijker te maken voor auto's door asfaltering van zandpaden. Dit plan wordt verijdeld, maar het oude beheer vindt voorlopig doorgang. Zo vertelde T. Visser, dat de gemeente, ter bestrijding van de Amerikaanse vogelkers, de merkwaardige gewoonte had midden in de bessentijd de struiken te vermalen in een takversnipperaar, waarbij de zaadjes mijlenver het bos in werden gespuwd, ter meerdere glorie van een nieuwe generatie bospestkoppen. Publieke Werken kapte in 1977 een groot aantal 150-jarige beuken. Het rooien is nodig om plantsoenmedewerkers 's-winters aan het werk te houden, luidde het verweer. Dezelfde T. Visser schrijft samen met J. Harder in 1978 een nota en dienen deze, namens de milieugroepen, bij de gemeente in. De nota kiest voor een natuurlijk beheer. De gemeente reageerde daarop als een dol geworden everzwijn. Takhopen zouden de natuurlijke ontwikkeling remmen! Bosinstandhouding vereist eeuwig onderhoud!

Desondanks raakte het democratiseringsproces in een stroomversnelling, en weldra zaten de natuurbeschermers van de Vereniging Leefmilieu in een 'gemeentelijk overlegplatform Spanderswoud' op fluweel. Daar werden spijkers met koppen geslagen. In maart 1979 gaf een raadscommissie voor milieu groen licht voor natuurtechnisch bosbeheer in samenhang met rustige recreatie. Het eerste grote bos krijgt zo min of meer de status van natuurbos, de gemeenteraad bekrachtigd dit in 1981. Wat zijn de hoofddoelen en hoe mag deze beheersvorm tot nu toe beoordeeld worden?


Recreatie
De recreatieve druk was in het bos altijd vrij groot. Toch kiest de nieuwe beheersvorm voor rustige, aangepaste recreatie. Naast een kernzone (rustgebied), komt er een bufferzone waar de wandelaar de toegang tot het bos wordt bemoeilijkt door het opwerpen van 'rillen' in de vorm van stroken opgestapeld en gekapt hout. In de randzone heeft de recreant vrij spel.


Bosbeheer
Publieke Werken en de nieuw gevormde Stichting Vrijwillig Goois Natuurbeheer (VGN) starten begin jaren tachtig een krachtig omvormingsbeheer. Op grote schaal wordt in het bos ingegrepen. Heel wat bomen worden omgetrokken, halverwege de stam afgezaagd, gelipt en geringd. Langs paden worden rillen opgeworpen . Het karwij wordt dermate rigoureus aangepakt, dat de burgerlijke oppositie fel op gang komt en de Gooi- en Eemlander menig kolom kan vullen. Achteraf bezien was vooral het rillenwerk wellicht niet zo tactisch ten aanzien van de publieke gunst. Kostte het al moeite het verschijnsel dood hout in het bos aanvaardbaar te maken, de langwerpige opeenhopingen van stammen als eigenschap van natuurbos konden echter onmogelijk aan de man worden gebracht. Kritiek is ook mogelijk op het beheer met betrekking tot het heideveldje midden in het bos. De overmaat aan paal- en draadhekwerken en rillen hebben hier tot geen enkel duidelijk te onderscheiden beheersvorm geleid. Het pioniersbos zou er zich zonder die omheiningen evengoed hebben gevormd. Wel is het consequent geweest dit heitje tot onderdeel van één groot bosgebied te laten worden. Door velen zal het echter als een landschappelijk verlies worden betreurd. Nog onnatuurlijker zijn de zware stobben die men her en der aansleepte en aldus als wallen een zwaarder soort ecologische afrastering vormden. Wellicht sloot men te plots en in een te vroeg stadium teveel bospercelen af. Niettemin, het bracht een bewustwordingsschok teweeg. Er werd over geschreven, de keuze voor radicaal natuurbeheer werd bediscussieerd, om die reden is het zo bruusk geïnitieerde werk van het VNG zeker niet tevergeefs. De kale stronken raakten overdekt met mossen en kruiden en de takkenrillen zijn inmiddels goeddeels ingestort.


Exotenbeheer
De bestrijding van de exoten laat te wensen over. De Amerikaanse vogelkers wordt, mede door de loodglansschimmel, aardig onderdrukt, wat niet gezegd kan worden van de Amerikaanse eik. Die wordt omgezaagd of geringd, maar even vrolijk komt de boom uit talrijke scheuten als een veelkoppig hydra-monster weer tevoorschijn. Dit beheer mislukt. Misschien is er iets voor te zeggen om dergelijke cultuurbossen een tijdlang zéér intensief te laten begrazen om eens en voor altijd van de exoten verlost te worden. Begrazingsplannen hebben de gemeentelijke werkvertrekken nog niet verlaten, maar het boek geeft daarover geen uitsluitsel. Toch is er inmiddels meer ervaring met bosbegrazing. Volgens een conclusie in het boek zou het 'gevoerde actieve beheer' nog zo'n 5 tot 10 jaar doorgezet moeten worden. Of het bos daarna geheel aan de natuur moet worden overgelaten is maar de vraag; tenzij men een passief beheer door middel van begrazing op het oog heeft. Een evaluatie-onderzoek door het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN) adviseert een ‘afdoende bestrijding’ van exoten alvorens op andere maatregelen over te gaan. Overigens geeft IBN de voorkeur aan stammenrillen boven stobbenwallen.

Het 159 pagina's tellende, met foto's geïllustreerde boek, besluit met een groot hoofdstuk over de flora en fauna na tien jaar natuurbeheer. Over het zwammenrijk (313 soorten), de broedvogels (nieuw onder andere houtsnip, zwarte specht en fluiter) en loopkevers (45 soorten gevonden). De schrijvers spreken de hoop uit dat het Goois Natuurreservaat het natuurtechnische bosbeheer op de oude voet zullen voortzetten.


Een natuurlijk bos?
Op bladzijde 77 wordt gesteld dat het Spanderswoud "moet veranderen in een natuurlijk bos". Dat zal een abuis zijn. Althans, hiermee kan slechts het ongestoord laten verlopen van de natuurlijke processen bedoeld zijn. Immers het aspect 'oorspronkelijk' van het begrip 'natuur' kan niet door menselijk beheer worden ingelost. Want over de invloed van de winterse zwerftochten van de helaas uitgestorven mammoet en andere finesses van een geheel oorspronkelijke bosevolutie zullen we wel nooit veel wijzer worden. Maar als de vroegste erfgooiers zo origineel waren geweest er een strikt bosreservaat van te maken dan zou het Spanderswoud naar alle waarschijnlijkheid uit een droog Wintereiken - Beukenbos gaan bestaan.


Besproken boek
Abrahamse, Karin et al. (1992): Het Spanderswoud. Gemeente Hilversum. Hilversum. Bladzijden: 158. ISBN: 90-74227-05-8.