Artikel

Pijpenbrandje bosreservaat


Opstanden op de Veluwe!

Op de fiets en met zoon en tent naar het bosreservaat Pijpenbrandje in het Veluwse Speulder en Sprielderbos.



Door: Kees Piël

Dit artikel is eerder in MOLM voorjaar-zomer van 1993 gepubliceerd
Dit artikel is op 10-03-2012 geplaatst




Dra zijn we in Drie. De Bosatlas leerde dat we al fietsend 54,3 meter boven NAP zijn uitgestegen, een halve Domtoren. We zitten midden in het Speulder en Sprielderbos. Gauw zetten we ons tentje op. Dit kampeerterreintje is in beheer bij het Staatsbosbeheer (SBB), net als de omringende bossen. We frommelen de rommel in de tent, richten ons op en turen wat rond. Voor het derde jaar slaan we de talloze bomen gade, het mos op de stamvoeten, de omgevallen bomen met de wirwarren van dode takken, een enkele paddenstoel, de hulststruiken, de schaduw.

Er is veel te vertellen over de Veluwe. Het gebiedje waar we verblijven was altijd grotendeels bosgrond, terwijl de rest van de streek door extreem antropogene erosie allengs onder het stuifzand bedolven raakte en tot een onafzienbare schrale en neerslachtige heidesteppe verloederde, alwaar woeste horden wolven de eenzame en door dorst gekwelde reiziger de stuipen op het lijf joegen.




Voorjaarsaspect in het Speulder en Sprielderbos in 2003.

© Stichting Kritisch Bosbeheer






In het bos
We gaan door een klaphekje. Meteen wacht ons een verrassing. Met inzet van alle tact en fijngevoeligheid van ons aller Staatsbosbeheer zijn de beheerders er in geslaagd vier zware stammen van omgewaaide en ontwortelde bomen ter weerszijden van het pad weg te slepen. Geniaal! De bezoeker mist nu de markante, natuurlijke toegangspoort van gevallen woudreuzen tot het bos, robuuste klimstellages bovendien, en nog wel van het hout waar al het goede kinderspeelgoed van is gemaakt: beuken. De stammen zijn weg, de stronken brachten geen geld in het laatje en blijven onttakeld achter! Klimgrage kinderen moeten nu verder het bos in en zullen zo kwetsbare delen betreden.

In het bos is de schemering ingetreden, het woud verstild. Door storm of kap zijn in dit oude malebos open plekken ontstaan. Daar ontstaat verjonging van berk, beuk en douglas. Manshoge berken werden helaas een kopje kleiner gemaakt. Raar, want de douglassen die hier volgens Grootmoeder Oernatuur niets te zoeken hebben, werden zorgvuldig ontzien. Als dat de oorspronkelijke wereld van de Vale Ouwe niet op z'n kop zet. Een enkele dooie boom mocht blijven liggen, dat wel. Sommige mogen zelfs blijven staan. Nou, nou. Zoals iedereen al vermoedt, dit bos wordt aangeduid als multifunctioneel. Een beetje natuurbehoud plegen hier, een beetje economie spelen daar (handel is handel, ook gesubsidieerde handel).


Wie zijn wij?
Ezra, zoon van tien, en ik dan. We komen later dan gedacht bij het Aardhuis, een jachtmuseum. Twintig minuten vóór sluitingstijd wordt ons de toegang geweigerd. Nu is de jacht niet mijn hobby en mijn zoon maar matig museaal ontwikkelt. Die rent er zo doorheen, dan sjok ik rustig achter hem aan, dus waarom moeilijk doen over twintig minuutjes? Ik mag klagen wat ik wil, de portier, die museumjager, geeft geen krimp. Hij probeert me af te schepen met een foldertje en als troostprijs een propagandablaadje voor de jacht op de koop toe. Feestelijk bedankt.


Pijpenbrandje
Was er in het Speulder en Sprielderbos niet een bosreservaat van 38 ha? We kloppen aan bij een rustiek houten gebouw. Een boswachter zit achter een computerscherm en vraagt ons buitenom naar de achterkant te gaan. Door een venster zien we twee in groene schutkleuren gestoken boswachters aan een formicatafeltje in vergadering bijeen. Her en der ligt het plastic afval van de fijne natuurliefhebbers. Een van de mannen gebaart ons terug te lopen. Daar staat hij ons al op te wachten, één arm tegen de deurpost geleund. Zij het met enige aarzeling, stel ik mijn vraag. Ik hoop namelijk aan tafel, liefst de vergadertafel, genodigd te worden. Lazen we immers niet in één van de VVV-folders de aanhalige woorden "welkom bij de boswachter”? Nou dan! "Pijpenbrandje op de kaart". Daar is het. Nu wil ik ook wel weten waarom er zo driftig geregeld, beheerd, gekapt en verjongd moet worden. Is dat niet in strijd met het Handvest van de Natuur, het doet zo overbodig en kunstmatig aan, en vroeg de natuur er soms om? Het is hier toch wel een natuurgebied, of zijn we abuis? We moeten goed begrijpen dat verjonging door kap een noodzakelijk kwaad is en die 38 hectare is door anderen vastgesteld. Neen, dit is een taaie boswachter, het zal niet meevallen er een medestander van natuurontwikkeling van te maken. In reactie op mijn malaise kom ik ertoe Ezra de beginselen van het kritisch bosbeheren bij te brengen. We beginnen dadelijk. Met de boomsoorten.




Een altijd wakend oog der staatsbosmannen, gehuisvest in een rustieke houten toren in Bosreservaat Pijpenbrandje in 2009.

© Stichting Kritisch Bosbeheer






In gesprek met nog meer bosmannen
Vandaag fietsen we naar Leuvenhorst, kijken wat Natuurmonumenten ervan bakt. Die vereniging verricht nog een hoop inconsequente bosarbeid. Maar dat is hier anders. Het bos laten ze zowaar rustig in mekaar storten, buitengewoon sympathiek. Ik wordt er dol enthousiast van. In mijn overmoed houd ik brutaal een passerende terreinwagen aan. Met de beheerder voer ik een lang gesprek op de zandweg. Over hoe hij bij Natuurmonumenten kwam, en hoe hij, daarvoor al, aanhanger van het natuurbos was geworden, dat de beheerders van de oude stempel steeds meer terrein verliezen en er meer ruimte komt voor natuurbescherming, óók dat er lekker veel hommeles is met Staatsbosbeheer over dit soort zaken, en nog veel meer. En wat een verschil met de staatsbosmannen. Die zitten daar als goden in Canada in een Veluws boshutje grootse plannen uit te broeden alsof de wereldeconomie ervan afhangt.

In het Leuvenumse bos vertel ik Ezra dat het aanplanten van bomen onnatuurlijk is, dat de mens een boom in het bos met rust moet laten, ja dat de mensen in dit kale kikkerland maar eens gauw van alle bossen moeten afblijven. Ik peuter een stukje schors van een dooie boom en zal hem een boeiend insectenleven aanschouwelijk maken. Terwijl hij in de molm opgaat vraag ik terloops of hij soms belangstelling heeft voor de vacante functie van vice-president van de groep Zéér Kritisch Bosbeheer. Ik stel hem grote voordelen in het voor¨uitzicht: de kosten van het jeugdlidmaatschap die anders verrekend zouden moeten worden met zijn zakgeld, hoeven niet meer betaald te worden, aangezien het salaris van die functie precies gelijk is aan bedoelde contributie. Hier had de kleine bosbaas wel oren naar. Met grote ijver haalt hij daarna de lege blikjes en plastic rommel uit het bos. Dat scheelt voortaan een hoop werk, en het moet toch gebeuren, we komen hier niet alleen voor de lol.

In mijn pogingen een eigen bijdrage aan de oplossing van het bosbeheersvraagstuk te leveren sla ik soms hevig aan het fantaseren. In ellenlange tv-spots bezing ik de onvergankelijke glorie van het natuurlijke bos, tik Natuurmonumenten op de vingers als ze weer eens onlogisch in de weer is, geef de staatsbosmannen een kat en, niet te vergeten, ik haal de landbouwminister danig over de hekel. Op de laatste dag van onze fietstocht moest ik heftig nadenken over een oud plan: illegaal kamperen, ergens in de bossen van de Kroondomeinen of Staatsbosbeheer. In een bos waar veel recreanten komen. Wel in een aangenaam bos, niet al tè lelijk, anders verveel je je kapot, maar wel met nare kapsporen. Meenemen: folders vóór, spandoeken tégen. Iedereen is welkom, zolang de kool en de geit sparende natuurbeschermertjes van de multifunctionalistische geloofsrichting maar wegblijven. Het kan een doorlopend kamp worden, zomers lang. Bosopstanden zouden er op de Veluwe moeten komen, èchte wel te verstaan.