Artikel

Eeuwig zingen de bosbouwers


De houtoogsten kunnen omhoog. (…) Nederland kan meer geld verdienen aan houtkap.

Dat roepen de gebundelde bosbouwers in een brief, onder andere gepubliceerd in Trouw van 14-09-2011, aan de minister.



Dit artikel is op 24-09-2011 geplaatst

Dit artikel is op 21-05-2012 bijgewerkt





Maar bosbouwers zijn ook verslaafd aan de staatsruif. Hoewel zij jaar op jaar verlies lijden, zien de Nederlandse bosbouwbedrijven desondanks nieuwe kansen voor het verhogen van de houtproductie in natuurgebieden? Dat is zelfs goed voor ons en onze economie zeggen zij. Maar wij zeggen: dat is om twee hoofdredenen uiterst ongeloofwaardig.

1. In de tachtiger jaren van de vorige eeuw ontstond het zogenaamde ‘Meerjarenplan Bosbouw’ van de rijksoverheid. Dit ambitieuze plan voorzag in een verdriedubbeling (!) van de houtproductie, van een dekkingsgraad van rond 8 naar 25 procent in 2010. Voorts werd daarin vlijtig gerekend dat de winsten van de bosbouwbedrijven per hectare en jaar naar 200 tot 300 euro zouden gaan oplopen. Dit plan is ondertussen fantastisch geruisloos van de burelen afgevoerd. Anders geformuleerd: totaal mislukt. Van de genoemde herstructureringen in de bosbedrijven en de plannen voor nieuw bosaanleg is zo goed als niets terecht gekomen. De productie is praktisch gelijk gebleven en de winsten zijn nog steeds blijven steken in structurele verliezen, ondanks tal van subsidies, belastingvoordelen en zonderlinge nieuwe vergoedingen voor onzichtbare diensten. Gezien de enorme hoeveelheden rapporten, tijdschriftartikelen, discussies en ambtelijke bureaucratie, mag aangenomen worden dat misschien wel de hele inlandse houtproductie in deze periode aan papier rond dit plan is opgegaan.

2. Kern van de twijfel of na het Meerjarenplan-Bosbouw-debacle nu opeens wél de houtproductie in natuurgebieden kan worden verhoogd, en wel tot genoegen van de eigenaren én de samenleving, is dat bosbouw in Nederland bedrijfseconomisch gezien nog steeds niet meer is dan een dropwinkeltje, waar stelselmatig, jaar op jaar, heel veel subsidiegeld naar toevloeit, terwijl de bedrijven zelf ondanks de rijkelijke overheidssteun nagenoeg voortdurend verlies lijden. De meest recente jaren waren iets gunstiger vanwege gestegen houtprijzen. Maar niet op de laatste plaats ook vanwege nieuwe geldelijke voordelen door de rijksoverheid aan de bosbouwers toegestoken, zoals verlaagde waterschapsbelasting en het kwijtschelden van omzetbelasting. Kortom: bosbouw in Nederland is een bodemloze put.

Ondertussen bouwen de bosbouwers vlijtig voort. Natuurlijk in de wetenschap dat de overheid de verliezen toch wel bijpast. Zo horen we recent weer van het gezelschap in een artikel in Trouw en andere dagbladen met een brief aan de minister met de vrolijke titel Nederland kan meer geld verdienen aan houtkap. De feestvreugde verdient echter dringend enige toelichting.




Dit biedt hoop voor de toekomst.





Commentaar van SKB op het luchtballonnetje
"Nederland kan meer geld verdienen aan houtkap" luidde dus de titel van de brief van de verzamelde bosbouwers aan de minister. Dat is wel heel erg optimistisch naar zichzelf toegerekend. Rekent u even met ons mee?

Kunt u zich voorstellen dat Philips een brief schrijft aan de minister van Economische Zaken met de wens om de productie van lampen te willen opvoeren omdat dat goed is voor de Nederlandse economie? Natuurlijk niet. Want als Philips denkt meer lampen te kunnen verkopen, verhoogt zij eenvoudig de productie. Zojuist verscheen zo'n brief echter wel van de particuliere boseigenaren en de houtindustrie. Die brief was kennelijk niet alleen aan de minister gericht want deze verscheen ook nog in diverse dagbladen. Merkwaardig. Maar bosbouwbedrijven zijn dan ook zeer merkwaardige bedrijven.

Ze hebben gelijk! Er is inderdaad meer aan hout te verdienen. Zij het niet door een bijdrage aan de Nederlandse economie maar aan te vullen zakken van de bosbouwers zelf. Hoe zit dat dan? 

Aan houtproductie wordt nagenoeg elk jaar weer en al decennia lang (er zijn een paar incidentele uitzonderingen), structureel verlies geleden (1). De verliezen worden echter vet gecompenseerd doordat de overheid ruimhartig bijpast door middel van een naar de bosbouwers aangelegd ondergronds eenrichtings-subsidie-infuus (leest mijnheer Rutte met ons mee?). De bosbouwers ontvangen immers jaarlijks tal van soorten subsidies: onder andere voor publiekstoegang, voor aanplant, voor onderhoud en worden bovendien welwillend gevrijwaard van onder meer de verplichting om omzetbelasting te betalen. Daarmee eten de bosbouwers duurzaam uit de staatsruif. Bosbouwbedrijven zijn dus helemaal geen gewone bedrijven met een normale winst- en verliesrekening op een vrije markt. Daarom schrijven zij brieven aan de minister met de wens om de houtproductie te willen vergroten. Bosbouwbedrijven staan niet op eigen maar op andermans benen en lijken zo op de heden alom verfoeide multicultie-subsidieclubjes. Was het een toneelgezelschap, dan kreeg je er als burger nog een mooie voorstelling voor terug. Nu blijft de burger met lege handen achter en houdt er slechts een gedegenereerd bos aan over. Geen natuurbos maar een saaie houtakker. Naast de inkomsten uit hout, die overigens recent door hogere marktprijzen gestegen zijn, meestal ook inkomsten uit jacht, eveneens zo’n destructief vermaak, waar zelden een ecologische noodzaak voor bestaat. De totale inkomsten zonder subsidies zijn in de bosbouw ontluisterend lager dan de te maken kosten. Het merendeel dient te worden opgevangen door de staatsruif. De enigen die er beter van worden zijn de bosbouwers zelf.

Met het kappen en het uit de bossen verwijderen van bomen en het verhandelen ervan, is dus inderdaad geld te verdienen. Het is echter slecht voor de natuur en bedenkelijk voor de economie. Over het belang van de natuur voor de aanwezigheid van oude en dode bomen in onze bossen zul je de bosbouwers zelden horen. Bovendien is helaas gebleken dat onze generaties tot alle vormen van behendig gepresenteerde roofbouw bereid is. Het aangehaalde artikel laat dat opnieuw weer zien. Maar ook de economie zal er weinig mee opschieten, want de burger betaalt uiteindelijk het gelag. Hij financiert immers uiteindelijk via de overheidssubsidies een groot deel van de bosbouwfactuur. Structureel en elk jaar opnieuw. Met het eventueel verhogen van de houtproductie in natuurgebieden stijgen navenant de kosten die op de burger verhaald zullen worden. De brief van de bosbouwers is dan ook weinig meer dan een versluierde poging om de politiek te masseren tot het verstrekken van nog meer subsidies. De lijnen naar het huidige kabinetsbeleid zijn kort. En nu het politieke klimaat hen gunstig gezind is, denkt men het ijzer te smeden nu het nog heet is.




1] Statistische cijfermateriaal is beschikbaar bij CBS en LEI. Bekijk liefst een reeks van jaren, bijvoorbeeld over een periode van 25 jaar. Vooral het laatste instituut heeft de neiging vooral enkele betere jaren prominent te presenteren.

Helemaal onbesproken blijven de wrakke bosbedrijfsvoeringen niet





Kent u ‘m nog? Heerlijk gevoel toch dat u destijds meteen een verdacht luchtje rook! Bosbouwers zijn als sommige penaltynemers: te hoog, te laag, te zacht, te weinig licht, te donker, omzagen om de andere bomen beter te laten groeien, het bos heeft onderhoud nodig, de boom is gevaarlijk, hij is ziek… Bosbouwers zijn dromers. “Nederland kan meer geld verdienen aan houtkap?” Bosbouwers dromen zich rijk.