Artikel

Edelhert (biografie)


Algemeen overzicht van het voorkomen, gedrag en het beheer van het edelhert in Nederland.


Door Ruud Lardinois

Dit artikel is op 13-07-2009 geplaatst
Dit artikel is op 15-01-2010 bijgewerkt





Het edelhert (Cervus elaphus), in jagersjargon ‘roodwild’ of meer algemener ‘grofwild’ genoemd, is een hertensoort die met uitzondering van IJsland in geheel Europa voorkomt, voorts verder in een klein deel van Noord-Afrika alsmede in Azië. De Noord-Amerikaanse ondersoorten, die in de Verenigde Staten wapiti en in Canada elk (niet te verwarren met het Britse elk, dat een eland is) worden genoemd, worden als een aparte soort beschouwd (Cervus canadensis). Ook Europa en Azië kennen enkele ondersoorten. Heel aardig is het vermelden waard dat er een Noord-Europese ondersoort voorkwam tot in de gebieden rond de Poolgrens in Noorwegen, Zweden en Finland. Deze was aangepast aan de lange sneeuwrijke winters. Omwille van de jacht zijn daar - net als in zovele andere landen, inclusief Nederland - uit verschillende Europese landen afkomstige edelherten met vooral zware geweien ingevoerd. Dit heeft er toe geleid dat diverse ondersoorten, soms zelfs endemische ondersoorten, verloren zijn gegaan, waaronder waarschijnlijk deze aan noordelijke sneeuwrijke winters aangepaste ondersoort (1). Het Corsicaans edelhert (Cervus elaphus corsicanus), dat tegenwoordig enkel op Sardinië voorkomt, is zo’n endemische ondersoort die zeer ernstig in zijn voortbestaan is bedreigd.

Het edelhert is door de Engelse kolonisten ingevoerd in Australië (Grampians National Park en Zuidoost-Queensland) en in Nieuw-Zeeland.

Het edelhert is op de eland na de grootste nog levende hertensoort.


Het edelhert in Nederland
Edelherten zijn zeer tolerant ten aanzien van verschillende habitatten en komen in een grote diversiteit aan gebieden voor. Van drogere loofbossen en heidevelden tot zeer vochtige milieus als venen en moerassen worden bewoond. In hooglanden (bijvoorbeeld de Schotse Hooglanden) en in berggebieden als de bergen van Noorwegen, de Karpaten en de Alpen, begeven de dieren zich zomers tot boven de boomgrens. 's Winters leven ze liever meer in de dalen omdat daar door minder strenge koude en meer beschikbare voedselplanten de overlevingskansen groter zijn.

Heel Nederland en nagenoeg alle vegetatietypen behoren tot het leefgebied van het edelhert. Van nature komt het edelhert in Nederland dus in alle habitatten voor: de duinen, in de uiterwaarden en ooibossen in het rivierengebied, op de hogere gronden in de bossen en zelfs in de moerassen en de venen, waarmee Nederland oorspronkelijk voor bijna twee derde bedekt was en die nu vrijwel totaal verdwenen zijn.

Het edelhert heeft een voorkeur voor bosgebieden die grenzen aan meer open plekken met grassen en kruiden. Van nature bevatten onze bossen inderdaad, door het complex van nu vaak verdwenen grote grazers, veel meer open structuren als meer of minder open plekken. Bij bestudering van zo’n 200 Europese oerwoudresten wordt dat beeld bevestigd. Oude oorspronkelijke bossen zijn niet homogeen van structuur en door een groot aandeel vaak zeer oude bomen, ook redelijk meer toegankelijk dan wel eens verondersteld wordt. De voedselrijkere beken en rivieren, alsmede hoog- en laagvenen in betrekkelijk ongestoorde natuurbossen, laten vaak meer soms zeer dichte vegetatiestructuren zien. Maar omdat de variatie aan voedselplanten er zeer groot is en de productie door het microklimaat minder pieken en dalen laat zien, alsmede dat grotere sneeuwpakketten worden gedempt door de grote bomen, toch de beste voorkeursgebieden voor het edelhert. De ‘s winters voorkomende overstromingen door verhoogde (grond)waterstanden maakt althans voor deze soort een trek in de winter naar de hogere gronden aantrekkelijk. In Nederland zijn er nog meldingen van edelherten langs de grote rivieren aan de zuidelijke Veluwe tot rond 1900, zij het schaars omdat het edelhert toen door overbejaging al uiterst zeldzaam geworden was. Een trek van laaggelegen vochtige gebieden naar hoger gelegen gebieden en andersom komt nergens in Nederland nog voor. De grenzen van onze natuurgebieden zijn beslist verkeerd gekozen. Alle gradiënten naar beken en rivieren, moerassen, ooibossen en dergelijke zijn er afgekapt, waardoor er in de loop der jaren in de diverse ecosystemen een enorm verlies aan biodiversiteit is opgetreden.

In de huidige tijd komt het edelhert in Nederland nog slechts op de Veluwe en in de Oostvaardersplassen voor, alwaar in het geval van de Oostvaardersplassen in de loop van 1992-1993 in totaal 57 edelherten zijn ingevoerd. Die populatie is inmiddels op volkomen natuurlijke wijze, zonder (bij)voeren en zonder jacht, uitgegroeid tot een voorjaarsstand van rond 1750 dieren, op welk aantal de populatie zich aldaar ongeveer lijkt te stabiliseren.

Sinds november 2005 zijn er ook in het Weerterbos op de grens van Limburg en Noord-Brabant edelherten aanwezig, zij het niet in het wild. Het gaat om een groep van 15 uit Belgische dierentuinen afkomstige dieren die daar zijn uitgezet om zich in de streek te laten vestigen. Deze herten bevinden zich nochtans na jaren nog steeds in een wildraster van 150 hectare. De geringe populatie-omvang, alsmede het beperkte areaal, zijn volstrekt onvoldoende om als duurzame basis te dienen voor het tot ontwikkeling te laten komen van een natuurlijk te vormen populatie. Het was van dit project nochtans de bedoeling dat de dieren hun vrijheid zouden verkrijgen en dan konden uitzwermen over Noord-Brabant en Limburg. Dat is helaas niet gerealiseerd. Ook een plan om in het Maas-Swalm-Nette-gebied van het zogenaamde nulstandbeleid af te stappen en daar edelherten toe te laten, is niets terecht gekomen. Kortom: mooie plannen met weinig resultaat.

Af en toe worden er damherten, wilde zwijnen en edelherten op de Utrechtse Heuvelrug gesignaleerd, welke vrijwel zeker afkomstig zijn van de Veluwe. Er zijn aldaar op dit moment (jan 2010) al vijf ecoducten gerealiseerd, waaronder een van de allergrootste die ooit in Europa voor dit doel is gebouwd, twee zijn in aanbouw en elf zijn in voorbereiding. Ter illustratie: in 2009 is ecoduct Treeker Wissel geopend. Om de dieren met zachte drang de overgang daadwerkelijk te laten gebruiken en niet de gevaarlijke wegen te laten oversteken, zijn er rasters aangelegd die de dieren naar het ecoduct begeleiden. Die rasters zijn uiteraard geschikt voor grote hoefdieren als reeën en edelherten, maar ook wilde zwijnen, wat blijkt uit het feit dat de rasters zijn ingegraven. Wilde zwijn hebben immers een voorliefde om in de grond te wroeten, waardoor ze onder rasters door zouden kunnen komen en zodoende ook andere dieren een ongewenste onderdoorgang zouden kunnen verschaffen. Met andere woorden: met overheidsgeld worden op de Utrechtse Heuvelrug ecoducten aangelegd die geschikt zijn voor grote hoefdieren. De provincie Utrecht spreekt echter al jaren over „ambitieniveau edelhert” en in termen van „ambassadeur edelhert”. Dat betekent dus feitelijk dat het natuurbeleid waarbinnen de vele ecoducten worden opgericht, geschikt moeten zijn voor onder meer edelherten en wilde zwijnen. De Utrechtse Heuvelrug is er dus helemaal klaar voor! Vanuit de Veluwe komen inderdaad zwijnen en herten toegelopen. Helemaal vanzelf en nog gratis en voor niks ook. Dat gaat dus lekker zou je zeggen. Maar wat gebeurt met deze dieren? Deze worden zonder pardon doodgeschoten… Edelherten zijn al iets ten zuiden van Nijkerk waargenomen, en op ruim tien kilometer van de gemeentegrens van de Utrechtse Heuvelrug ook wilde zwijnen: gewoon allemaal kapotgeschoten…

Stichting Sneeuw voor de Zon bepleit op de Utrechtse Heuvelrug een vrije en onbelemmerde doorgang van de ook daar van nature thuishorende dieren.


Maar ook in in alle oostelijke provincies komen er elk jaar wel dieren vanuit Duitsland toegelopen. Recent heeft het edelhert zich geheel uit eigener beweging in de Achterhoek gevestigd. Men neemt aan dat de dieren uit het Bentheimerwald afkomstig zijn. Kennelijk is de druk van uit Duitsland toegelopen dieren zo groot dat afschot - zoals gebruikelijk worden overal buiten de Veluwe edelherten afgeschoten (nulstandbeleid) - niet meer voldoet om zich van alle toegelopen dieren te ontdoen.



Een hinde met ouder kalf

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer




Hogere gronden en voedselrijkere vochtige gebieden
Het milieu van de Oostvaardersplassen is anders dan dat van de Veluwe. De dieren die in de Oostvaardersplassen zijn geïntroduceerd komen voor een deel van de Veluwe en voor een deel uit Schotland. De verwachting van sommigen is dat edelherten die in een kleimoeras leven zwaarder worden dan de relatief kleine herten op de Veluwe. Maar of dat bewaarheid wordt is onzeker. Want de edelherten en andere daar levende grote zoogdieren worden daar immers niet bejaagd, waarmee de populaties zich aldaar op natuurlijke wijze zullen kunnen aanpassen aan het beschikbare voedsel. Dit mechanisme is overigens mede de basis van alle ecosystemen, om het even of er wel of geen grote predators als wolven voorkomen. Er wordt bovendien vaak ten onrechte gedacht dat dit proces aan schaal gebonden is. Het principe dat de primaire productie, het totaal van in het leefgebied groeiende voor de soort geschikte voedselplanten, bepalend is voor de draagkracht en dus het aantal voorkomende herbivoren, is in beginsel niet anders werkzaam in grote dan in kleinere gebieden.

Er komen buiten de afgesloten terreinen en de zogeheten 'vrije wildbaan' op de Veluwe in Nederland vrijwel geen edelherten (meer) voor. Maar dat is mensenwerk. Oorspronkelijk was heel Nederland bezet met edelherten. De dieren zijn nu teruggedrongen tot de meest voedselarme gebieden. Voorts zijn nagenoeg alle gradiënten naar omliggende andere vegetatietypen als ooibossen, kleigebieden, rivierlopen, enzovoort voor de dieren onbereikbaar gemaakt. Door wegen, rasters en jacht wordt nagenoeg elke poging van herten om verloren gegane gebieden te herbezetten verijdeld. Elk jaar zijn er wel meldingen van op natuurlijke wijze uit Duitsland naar Nederland migrerende edelherten. In alle aan de oostgrens gelegen provincies komt dit regelmatig voor. Deze dieren worden echter niet geduld en derhalve afgeschoten.



De vegetaties in onze natuurgebieden worden in hoge mate door de mens bepaald en beïnvloed. Deze opname geeft de houtproductie weer in het Deelerwoud, opname uit 2004.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer




De gebieden waar de herten nu in Nederland leven zijn onderling niet meer via ecologische routes bereikbaar. Nieuwe aan te leggen ecologische verbindingen zoals ecoducten en corridors zouden dat in de toekomst moeten verhelpen. Over het opnieuw verbinden van ecologisch gezien geïsoleerd geraakte natuurgebieden is in 2005 een zeer inspirerend boekje verschenen, dat "De Veluweroute" is gaan heten. Daarin wordt beschreven dat het heel goed mogelijk is om ook in het huidige Nederland grotere dieren van natuurgebied tot natuurgebied te laten wandelen.


Morfologie
In de zomer zijn de dieren roodbruin van kleur, in de winter grijsachtig bruin. De buikzijde is wit en het staartstuk is roomkleurig. De rui begint eerst bij de kop, de poten en het voorlijf. In september begint de zomervacht plaats te maken voor de wintervacht en in december is deze volledig vervangen. De zomervacht komt weer terug in mei en is in juli of augustus compleet.

De gemiddelde lichaamsgrootte van een edelhertenpopulatie wordt over het algemeen vooral beïnvloed door de beschikbaarheid van kwalitatief voedsel. Het stapelvoedsel bestaat vooral uit grassen en zeggen, hetgeen wordt aangevuld met meer ruwvezelig materiaal als boom- en struikknoppen, zaden als eikels, beukennootjes, enzovoort. Omdat de meer open gebieden, vooral de vochtige varianten als beek- en rivierdalen, veel productiever zijn met meer hoogwaardiger voedselplanten, worden herbivore dieren daar vaak wat groter en zwaarder. Dergelijke terreintypen behoren dan van nature tot de voorkeursleefgebieden van het edelhert. De Oostvaardersplassen bijvoorbeeld, zijn dan ook betere leefgebieden dan de verschraalde en sterk verdroogde Veluwe waar bovendien ook de natuurlijke bosvegetatie ingrijpend is gewijzigd door veelal dennenplantages, een vegetatieopbouw die daar van nature in die vorm niet zou voorkomen.


Gewei
Alleen het mannelijk edelhert draagt een gewei dat gemiddeld zo'n 70 centimeter lang is, maar kan uitgroeien tot meer dan 90 centimeter. Het gewicht kan variëren van vier tot tien kilogram. In wildparken als de Hoge Veluwe, waar de dieren direct maar vooral indirect met wildweiden, wildakkers en geteelde voedingsgewassen, worden (bij)gevoerd, zien we juist relatief heel grote en zware geweien, die soms wel rond 27-28 kilogram zwaar wegen. Dat is des te opvallender omdat het terreintype aldaar door het gevoerde beheer uiterst schraal en arm gehouden wordt.

Aan het gewei kan men enigszins de leeftijd van het hert aflezen. Een jong edelhert heeft gewoonlijk een kleiner gewei met weinig vertakkingen, maar een hert in zijn laatste levensfase zal ook weer een kleiner gewei met minder takken krijgen. Een gezond dier heeft een forser en zwaarder gewei, maar niet per sé meer enden dan een minder vitaal dier. Er is een duidelijk verband tussen de kwaliteit van het leefgebied - of het door de mens beschikbaar gestelde voedsel - en de grootte en zwaarte van de dieren zelf en dus ook de grootte van de geweien. Uiteraard is deze relatie tussen het kwalitatieve voedselaanbod en vitaliteit van de dieren niet het exclusieve domein van het edelhert. Dat geld in beginsel voor alle organismen.

Vanaf de vroege Middeleeuwen is vastgesteld dat door overbeweiding met huisdieren, het oogsten van bomen als bouwmateriaal en veevoer, enzovoort, de vegetaties in Nederland degradeerden. Soms raakten de bodems zo gedegradeerd dat de minerale grond bloot kwam liggen en in verstuiving raakte. Lokaal gebeurde dat in Nederland al in de 12e eeuw. Vanaf de 16e eeuw eisten ook bevolkingsdruk, recreatieve jacht en aanplant van natuurvreemde naaldbomen als grove den hun tol. Na eeuwenlange verschraling werden de Veluwse edelherten pas vanaf de Tweede Wereldoorlog weer wat zwaarder en droegen weer grotere geweien. Door een iets groeiend aandeel loofboomsoorten in de bossen en het ouder worden van de nieuwe bossen (denk aan een grotere productie van zaden als eikels en beukennoten), alsmede de aanleg van wildweiden en -akkers, verbeterden de leefomstandigheden. Daarboven kwamen er vooral sinds de Tweede Wereldoorlog vanuit de zich sindsdien in hoog tempo industrialiserende landbouw, ongewoon grote hoeveelheden meststoffen vrij die zich via onder- en bovengrondse waterstromen, alsmede via de atmosfeer over het land verspreidden. Die natuurvreemde meststoffen hebben een catastrofe in de natuurlijke vegetatieontwikkelingen in Nederland veroorzaakt. De plantengroei verruigde daardoor enorm, waardoor de snelle groeiers de overhand kregen ten koste van de aan relatief schrale leefomstandigheden aangepaste soorten. Ook de levenskansen van meer gespecialiseerde soorten verslechterden, werden zeldzaam of verdwenen uit onze natuurgebieden. Er is wel degelijk veel beleid gezet op de terugdringing van dit type luchtvervuiling, per saldo is deze een periode op een gelijk niveau gebleven, maar stijgt op dit moment weer. Feitelijk lijkt deze reparatieslag te zijn mislukt. Ten leste zijn vegetatiesystemen in ons land verrassend sterk beïnvloed door de recente ongeveer twintig jaar geleden ingezette verlengde groeiseizoenen als gevolg van klimaatverandering die de gebieden opnieuw productiever maken. Het edelhert, maar ook het wild zwijn, zijn tamelijk robuuste soorten die gemakkelijk een mix uit de diverse voedingsbronnen kunnen benutten en daarvan weten te profiteren. Meer specialisten in gedrag en voedselstrategie hebben het in onze cultuurlandschappen uiterst moeilijk en zijn al grotendeels verdwenen, zoals enkele regels hierboven bij plantensoorten al werd aangestipt. Door de ononderbroken toevloed van natuurvreemde stoffen accumuleren zulke grote hoeveelheden vermestende en vervuilende stoffen in onze bodems dat het resultaat gerust schokkend genoemd mag worden. Dit proces van vervuiling heeft zich overal in Nederland voorgedaan, maar werkt zeer negatief uit in natuurgebieden, waaronder de Veluwe als belangrijkste leefgebied van het edelhert.

De aantallen herten en zwijnen zijn door de moderne industriële ontwikkelingen in vooral de landbouw al met al steeds moeilijker in de hand te houden, althans in de aantallen die de overheid heeft vastgesteld.




De Pollen, een stuifzandgebied op de Hoge Veluwe. Hier valt voor edelherten en veel andere diersoorten weinig eer aan te behalen. Er is niets te eten, er is geen water, je kunt je er niet even terugtrekken om bijvoorbeeld een kalf te krijgen, kortom een volkomen vreemd en onnatuurlijk landschap. Het heeft wel op grote schaal op onze hogere gronden bestaan. Gemaakt door de mens. Niet dat dat zijn bedoeling was, ook een mens kan op geen enkele wijze met zoiets aanvangen, maar door mismanagement, zullen we maar zeggen. Het beheer van de gebieden ging hier volkomen mis. Al in de 12e eeuw ontstonden dit soort landschappen die gruwelijke consequenties konden hebben voor mens en dier. Van de mens weten we dat uit opgetekende verhalen. Die teksten verhalen van vlucht uit dorpen met achterlating van have en goed, omgekomen mensen en natuurlijk grote armoe omdat er geen of onvoldoende voedsel meer beschikbaar was. Verhalen van dieren zijn er niet. Tot op de huidige dag horen we alleen maar mensenverhalen, ondermeer dat dit soort hersenloze rampenlandschappen waardevolle te beschermen natuurgebieden zouden zijn. Opname uit 2000, de Hoge Veluwe.



Elk jaar een nieuw gewei
Het gewei wordt elk jaar onder invloed van geslachtshormonen afgeworpen. Oudere herten doen dat in het vroege voorjaar, terwijl de jongere dieren later hun gewei afwerpen, waarna direct het nieuwe gewei begint te groeien, beschermd door een bloedrijke huid welke bij de oudere herten rond eind juli voltooid is. Dan begint de fluwelige basthuid om het voltooide gewei te irriteren en verwijderen de mannetjes deze door het gewei langs takken en boomstammen te schuren. Zo ontdoet het hert zich van de fluweelachtige huid die geen functie meer heeft. De resten die in de takken blijven hangen worden meestal door het hert opgegeten. Het gewei is in die fase erg helder tot wit van kleur (botkleur), maar kleurt al binnen enkele dagen tot donkerbruin door de harsen van bomen en struiken omdat het hert met zijn nieuwe bezit er veelvuldig mee bewerkt.




U ziet hier een geweiententoonstelling zoals die jaarlijks door jagers wordt gehouden. Deze tentoonstelling, de foto laat slechts een klein deel van het ‘aanbod’ aan geweien zien, omvat de geweien van vooral herten die geschoten zijn op de Zuidoost-Veluwe. Er zijn ook reegeweien tentoongesteld en enkele tanden van wilde zwijnen, zij het minder, omdat de grootste terreinbeheerder, Natuurmonumenten, al jaren niet meer op reeën jaagt. De jacht op reeën is inderdaad ook volkomen overbodig en kent ecologisch gezien alleen maar nadelen.

Opmerkelijk is dat hier alle op de Zuidoost-Veluwe geschoten of verongelukte herten afkomstige geweien hangen. Dus óók de geweien die uit natuurgebieden afkomstig zijn. Dat betekent op de eerste plaats dat in beginsel alle herten ooit door mensenhand om het leven zijn (worden) gebracht en dat daarvan de koppen met de schedel en het gewei van het lichaam worden gescheiden om te worden geprepareerd, teneinde deze tentoon te stellen. Natuurbeheerders als het Gelders Landschap en Natuurmonumenten doen daarbij het ‘voorwerk’, zij brengen de dieren om het leven, zagen de koppen van de lichamen af, om deze vervolgens aan derden beschikbaar te stellen, die deze lichaamsdelen vervolgens omwille van recreatieve doeleinden op hun beurt weer aan het publiek presenteren. Waarom gebeurt dat met reeën, zwijnen en herten mét geweien en worden geen verwijderde lichaamsdelen getoond van bijvoorbeeld koolmeesjes, eekhoorntjes of dassen, of herten zónder geweien?

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer




Voedsel
Edelherten eten uitsluitend plantaardig voedsel: het zijn herbivoren. Ze voeden zich met gras, zegge, bies, heide, boombast, knollen, wortels, vruchten, zaden, knoppen, scheuten en loof van bomen en struiken als wilg, spar, hulst, taxus, jeneverbes, grove den, enzovoort. Ook landbouwgewassen worden opgenomen, maar in de huidige Nederlandse omstandigheden is dat aandeel uiterst beperkt. Wel staan herten soms op weiden langs de bosrand. Grassen en kruiden vormen een belangrijke component van het dieet. Als herkauwer is het spijsverteringsstelsel van het edelhert erg afhankelijk van de juiste zuurgraad in de maag. Die zuurgraad wordt bepaald door het opgenomen materiaal. Indien het aandeel voer met een hoog eiwitgehalte toeneemt, zal het dier dit compenseren door extra ruwvezelig materiaal op te nemen. De dieren gaan dan bijvoorbeeld sterker aan bomen eten, vooral boombast is dan gewild. Dit 'probleem' doet zich juist dan voor indien men de dieren gaat voeren met zeer ‘hoogwaardig’ voedsel zoals pure eiwitrijke grassen, hertenbrokjes, en dergelijke, zoals in het jachtbedrijf veel voorkomt. Men voert daar graag en veelvuldig met maïs, aardappelen en hormonenverrijkte hertenbrokken. Het edelhert zal dan om een evenwicht in zijn in maagdarmstelsel te onderhouden extra aan bast en boomknoppen gaan eten. De vaker gehoorde opmerking dat edelherten in bosrijke gebieden veel meer schors, knoppen, zaden en scheuten zal opnemen is in beginsel onjuist. De soort zal waar het kan vooral grassen en zeggen blijven opnemen. Tenzij het voedingspatroon door menselijk handelen wordt gestoord. Vermeldenswaard in dit verband is dat veel van onze natuurgebieden een door menselijk beheer gestoorde vegetatieontwikkeling hebben, waardoor al in de zomer veroudering van grassen kan optreden waardoor edelherten liever op ander voedsel over gaan. Het betreft al met al een gecompliceerd mechanisme in een verstoorde vegetatieontwikkeling, die hier vanwege zijn complexiteit niet nader toegelicht zal worden en die vooral op de hogere gronden als de Veluwe zich afspeelt. Het enige andere leefgebied in Nederland, de Oostvaardersplassen, spelen dit soort processen niet omdat daar in het geheel niet wordt gevoerd.


Leefwijze
Het edelhert is de gehele dag door actief, maar in gebieden met veel menselijke activiteit laten ze zich meer vroeg in de ochtend en laat in de avond zien. Bij zeer hoge jachtdrukken verplaatsen de activiteiten zich soms zelfs geheel naar de nacht. Wandelaars en recreanten hebben daar ook invloed op, de dieren herkennen niet het verschil tussen een levensbedreigende jager en een niets in het schild voerende recreant. Ze zullen dan al gouw vluchten en schuw gedrag gaan vertonen. Edelherten zijn daar extra gevoelig voor omdat zij dit mechanisme zo interpreteren en die ervaringen lang ‘onthouden’ en van generatie op generatie aan de kalveren doorgeven. In gebieden waar deze vormen van op jacht gebaseerd beheer zijn verlaten, herkennen we een proces waar de dieren gaandeweg hun zeer schuwe leefwijze afleggen en een meer normaal overwegend dagactieve leefwijze gaan aannemen.

In de zomer en in de winter vormen de herten roedels. De vrouwelijke herten (hinden) en onvolwassen dieren van beide geslachten vormen aparte roedels. Hindenroedels worden meestal geleid door een ervaren vrouwelijk dier dat altijd een kalf met zich meevoert. De volwassen mannelijke dieren vormen afzonderlijke en van de hinden ruimtelijk gescheiden roedels die bovendien vaak ook minder gestructureerd zijn en meer wisselende samenstellingen kunnen hebben. In de aanloop naar de paartijd (bronst) vallen de mannelijke roedels volledig uiteen en zoeken de herten de roedels met hinden op. Minder sterke herten kunnen zich (nog) niet zo laten gelden ten opzichte van hun krachtigere en ervarenere rivalen en leiden dan een vaak zwervend bestaan.


Bronst
De bronsttijd valt voornamelijk in de tweede helft van september tot begin oktober. Soms komen er zelfs paringen in november voor, maar die zijn in Nederland vrij zeldzaam. In deze tijd zijn de mannelijke edelherten zeer actief om zich voort te planten. Luid burlend houden ze concurrenten op de hoogte van hun aanwezigheid en hun motieven. Hoe sterker en gezonder het mannetje, hoe vaker hij zal burlen. De sterksten claimen een zo groot mogelijk roedel vrouwelijke dieren.

Na de bronst zijn de meest actieve mannelijke dieren vaak uitgeput. Niet alleen vanwege de forse inspanningen, maar ook omdat ze gedurende deze periode, die rond een maand kan duren, nagenoeg geen voedsel tot zich nemen. Hun lichaamsgewicht kan dan tot rond dertig procent zijn afgenomen. Wel drinken de dieren tijdens de bronst veel. De periode direct na de bronst is daardoor van nature een kwetsbare fase in het bestaan van een edelhert. In sommige natuurgebieden blijkt dat predators als wolven, en zelfs bruine beren, zich specialiseren in het doden van deze oververmoeide edelherten. De dieren hebben zich echter dan al kunnen voortplanten.

Rond eind mei en juni, na een variabele draagtijd van ongeveer 235 dagen, worden één of twee kalveren geboren. Tweelingen komen tegenwoordig steeds vaker voor en de laatste jaren zelfs af en toe drielingen. De laatste twintig jaar is er een duidelijke toename van het aantal tegelijk geworpen kalveren van op de Veluwe als regel één kalf naar twee en zelfs drielingen door verbeterde voedselcondities (zie daar) door onder meer wijzigingen in het klimaat. Het groeiseizoen is duidelijk verlengt met nu al rond twee maanden per jaar. Voorts zijn daardoor de winters korter en relatief milder. De primaire productie, alle voor de soort toegankelijke en eetbare plantendelen, is er duidelijk door toegenomen. Voorts heeft in ons land uit luchtvervuiling afkomstige vermestende stoffen een buitengewoon vermestende invloed op de vegetatie die herbivore soorten sterk bevoordeeld. Zie ook de paragraaf onder het kopje “Het edelhert in Nederland” waar dit aspect uitgebreider wordt beschreven.

Hinden die een kalf gaan werpen zonderen zich rond een dag of tien van het roedel af om zich daar na die periode weer bij te voegen. Het kalf heeft bij de geboorte een gevlekte vacht. Deze dient ter camouflage: de eerste weken zal de moeder haar kalf vaak alleen laten, om alleen terug te keren om het jong te laten zogen. Gedurende deze tijd drukt het jong zich tegen de grond, verscholen in hoog gras of tussen het struikgewas. Bij de meeste dieren zullen de vlekken na twee maanden verdwijnen, maar sommige edelherten zijn zelfs nog gevlekt als ze volwassen zijn. Het jong wordt zo'n zes tot tien maanden gezoogd, maar eenjarige kalveren worden ook gezoogd indien de moeder niet drachtig is. Binnen de roedel vormen zich soms crèches van meerdere jongen, die vaak met elkaar spelen.

Mannetjes zijn na één tot drie jaar geslachtsrijp, vrouwtjes na één à twee jaar, voor beiden afhankelijk van de kwaliteit van het leefgebied. Jonge bokken zullen vaak hun geboortegebied verlaten zodra ze zelfstandig zijn, maar hinden blijven meestal trouw aan hun geboorteplek, en de woongebieden van hinden overlappen meestal met dat van hun moeder. Als ze ongeveer zeven jaar oud zijn, zijn ze volgroeid.

Edelherten kunnen in gevangenschap maximaal vijfentwintig jaar oud worden, maar slechts weinig dieren zullen onder wilde omstandigheden ouder dan vijftien jaar worden. Het sterftecijfer is het grootst onder kalfjes tussen de acht en de elf maanden. In de Oostvaardersplassen, dat vooral door jagers en boeren wordt bekritiseerd omdat daar de herten en andere grote grazers “creperen door verhongering” is een hert vastgesteld dat met zekerheid 18 jaar oud is. Dat was mogelijk omdat van de 57 daar van elders ingebrachte dieren bij de introductie enkele dieren een oormerk droegen. In de loop van 1992-1993 zijn in de Oostvaardersplassen 57 edelherten ingevoerd die inmiddels zijn uitgegroeid tot een voorjaarsstand van rond 1750 dieren, op welk aantal de populatie zich lijkt te stabiliseren.


Relatie met andere herbivore soorten
Al in de zeventiger jaren van de vorige eeuw werden op initiatief van Stichting Kritisch Bosbeheer de eerste plannen uitgewerkt om de natuurlijke begrazing door verdwenen grote plantenetende zoogdieren te herstellen. Er verzamelden zich een reeks van argumenten die wezen op de onmisbare rol van grote grazers als paard en rund. Dat leidde tot het voorstel bij monde van Harm van de Veen om de verdwenen wisent op de Veluwe te herintroduceren. Er is door Harm van de Veen vele jaren aan gewerkt om deze nieuwe ecologische benadering bij het beheer niet alleen bij natuurbeschermingsorganisaties te verdedigen, maar ook bij jagers, bosbouwers boeren en vooral het publiek. Het was in die jaren hoogst ongewoon om het publiek te betrekken bij het formuleren van natuurbeleid, laat staan bij het praktisch beheer. Helaas wordt tot op de huidige dag het publiek eerder als een last gezien en hun aandeel bij het formuleren van praktisch beleid is te verwaarlozen.

Harm van de Veen realiseerde zich dit heel goed en probeerde onder meer via honderden lezingen in het land het publiek te informeren over zijn ideeën. Dat sloeg enorm aan. De media schreven er over, symposia werden over het thema georganiseerd en boeken, rapporten en brochures verschenen. Zo lukte het steeds beter om enthousiasme voor het concept te kweken en ontstond er inderdaad een klimaat dat overhelde naar acceptatie om die grote wilde herbivore soort, die hier te lande mogelijk al duizend jaar was verdwenen, in een groot natuurgebied te kunnen herintroduceren.

Maar Harm realiseerde zich heel goed dat de verworven sympathie zou kunnen omslaan, zeker door de ongewoon felle protesten uit kringen van jagers en behoudende natuurbeschermers, waarvan de jagers verlies van hun jachtmogelijkheden vreesden, terwijl orthodoxe natuurbeschermers zich er weinig bij konden voorstellen dat niet zij maar het rund voor de natuurlijke variatie zou zorgen. En wat hij vreesde gebeurde ook, Natuurmonumenten haalde op het laatste moment bakzijl en blokkeerde het plan, na eerst daarvoor toestemming te hebben verleend…

De wisenten zouden op een zorgvuldig daarvoor uitgekozen en geprepareerde plek in het Deelerwoud worden uitgezet. Maar het plan van Harm was zo zorgvuldig voorbereid dat hij in een tweede laag had voorzien om snel te kunnen overstappen van wisent naar Schotse Hooglander. Een meesterzet zoals later zou blijken. Natuurmonumenten kon er eenvoudig niet meer omheen, want de felle kritieken betroffen vooral de vermeende onveiligheid van 'zo een groot wild beest' die eenvoudig maar niet wilde passen in de hoofden van sommige mensen. Met de plotselinge ‘konijn uit de hoed’ van dit boerderijdier, wat een Schotse Hooglander ondanks zijn woeste uiterlijk feitelijk is, waren de tegenstanders inclusief Natuurmonumenten volkomen uit het lood geslagen en volgde daadwerkelijk de voorbereidingen ter introductie van een grote grazer in een Nederlands natuurgebied. Zodoende werden in 1982 op de Imbos de eerste Hooglanders in een Nederlands natuurgebied uitgezet, namelijk op een piepklein voor dat doel omrasterd stukje rampenlandschap, zijnde een door de treurigste dennenakkers omgeven heideveldje.

Voor het verdere verloop in het kader van het edelhert, waar dit artikel immers over gaat, is het van belang te melden dat Harm van de Veen met zijn medestanders bij Stichting Kritisch Bosbeheer toen al als argument voor herintroductie van een verdwenen grote grazer opvoerde dat de biodiversiteit er belangrijk door zou kunnen toenemen. Zelfs zodanig dat de levensmogelijkheden voor bestaande grote grazers als het edelhert er eveneens door zouden toenemen. Uit betrekkelijk recent Duits wetenschappelijk onderzoek is dat inmiddels ook onomstotelijk aangetoond. In het kort komt het er op neer dat bij het ontbreken van grote grazers de grasmat verruigd en soms zodanig in dikke pakketten vervilt, dat deze niet meer geschikt is voor natuurlijke verjonging van grassen, kruiden en boom- en struikensoorten. Maar omdat grote grazers gedifferentieerd grazen, doen ze dat op bepaalde stukken intensiever dan andere. Als daarbij ook nog meer typen grazers actief zijn zal dit gedifferentieerde gegraas nog weer extra verschillend zijn en diverse nieuwe gradiënten omvatten. Dit proces is in ons land tot op heden niet goed begrepen, want na de eerste uitzetting van de Schotse Hooglanders op de Imbos hebben de dieren weliswaar een groter areaal toegewezen gekregen, maar de dieren blijven op hun voorkeursplekken grazen en wijken daar nauwelijks van af. In grote lijnen komt dat omdat het huisdieren zijn en ze nog steeds niet zijn vervangen door de oorspronkelijke bedoelde wilde varianten, waaronder op de eerste plaats de wisent, en voorts omdat bijna altijd de dieren weer gedwongen door rasters gescheiden opereren van andere grote grazers. Behoudens één belangrijke uitzondering, het edelhert, want die springt eenvoudig over de meeste niet al te hoge rasters heen die immers vaak bedoeld zijn voor het huisrund. Doordat de Schotse Hooglanders de grassen, ook al zijn ze nog zo kort afgegraasd, blijven begrazen, blijft de grasgroei ook in de zomer jong en actief en is derhalve eiwitrijk en dus voedzaam. Het edelhert wordt door de runderen dus sterk gefaciliteerd. Bijvoeren is daarom zelfs op de uitgemergelde en gedegradeerde Veluwe helemaal niet meer nodig, iets wat ten tijde van de eerste plannen van Harm van de Veen in het natuurbeschermerswereldje als ondenkbaar gold. Op de Imbos werd jaarlijks tot rond 100 ton voedsel verstrekt! Onvoorstelbare hoeveelheden aardappelen, hertenbrokjes en hooi werden daar toen op de Imbos voor het jachtwild, vooral het jagers troetelkind, het edelhert, omgezet. Nu blijkt mede door de runderbegrazing de productie van eiwitrijke groeiende grassen in de vegetatie veel langer te duren. Met andere woorden: de grassen verouderen minder snel, wat zonder natuurlijke begrazing anders soms al in de zomer plaatsvindt.


Gedragsverandering
Met uitzondering van de Oostvaardersplassen zijn de edelherten in Nederland door menselijke bejaging uitzonderlijk schuw geworden. De van nature dagactieve dieren zijn zodoende overwegend nachtactief geworden. De verschillen tussen de herten in de Oostvaardersplassen en de Veluwe zijn ook in dit opzicht frappant.

Behalve in de Oostvaardersplassen worden dus alle edelherten in Nederland door afschot gereguleerd. De laatste ecologische inzichten wijzen er echter op dat regulering van edelherten niet nodig is en dat de populatiedichtheden zich vanzelf aan het beschikbare natuurlijke voedsel zullen aanpassen. Is de voedselvoorraad beperkt of minder bereikbaar, dan loopt ook de vruchtbaarheid terug. De magere dieren krijgen dan geen of minder kalfjes of slaan seizoenen over. Een natuurlijke geboortebeperking.




Dit edelhert is door een kogelschot om het leven gebracht. Vervolgens is de kop er afgezaagd en meegenomen, het lichaam is om onbekende reden achtergelaten. Het lichaam is daarna uitsluitend door kevers, insecten en bacteriën verteerd. Grotere dieren hebben er zich niet aan gewaagd. Ten minste éénmaal heeft een groep wilde zwijnen dit lijk bezocht, maar dit verrassend genoeg volkomen onaangeroerd gelaten. Toch was het vlees feitelijk al na twee weken volkomen verteerd door de reeks van genoemde organismen, waarschijnlijk mede geholpen door de toen haast zomerse temperaturen, alleen de huid en botten bleven over. Veluwezoom 2005.




Gebruikelijk is echter nog steeds de methode van preventief afschot, waarbij de kadavers van de aldus gedode dieren meestal aan de betreffende ecosystemen worden onttrokken, zij het dat soms enkele van de niet eetbare lichaamsdelen, zoals de darmen, in de terreinen worden achtgelaten. Andere niet eetbare lichaamsdelen van geschoten edelherten, zoals de geweien, verdwijnen eveneens altijd uit het systeem. In beginsel sterven in de Nederlandse natuurgebieden door menselijk optreden (afschot) uiteindelijk alle in het wild levende edelherten een niet natuurlijke dood. Het gevolg is dat in Nederland alleen in de Oostvaardersplassen de natuurlijke afwikkeling van het volledige spectrum aan levensfasen van edelherten is waar te nemen, van geboorte tot de dood door ouderdom.



Bronnen

Anoniem (1985): Edelhertenbeheer. Min. van L. en V.. Den Haag. Bladzijden: 50.
Met selectienormen voor afschot

Anoniem (1997): Groeten van de Hoge Veluwe: [b/] over de 'natuur' van het Hubertusgilde. De Faunabescherming. Amstelveen. Bladzijden: 32.

Anoniem (1985): Evaluatie proefgebied nationaal landschap Veluwe. GS Gelderland. Arnhem. Bladzijden: 22.

Bade, Tom (2005): Van Betuweroute naar Veluweroute: De Nederlandse natuurontwikkeling op de rails. KNNV Uitgeverij. Utrecht. Bladzijden: 48.

Ruim baan voor mens en natuur
'Nederland Distributieland' was lang de peiler van ons economisch beleid. De vruchtbare delta waarin wij leven fungeert echter ook als ecologisch distributiecentrum. Daarom zijn goede ontsluitingen noodzakelijk. De Veluweroute moet dé slagader van dit vaatstelsel worden. Een groene corridor dwars door Nederland die onderdeel uitmaakt van het Europese netwerk van grote aaneengesloten natuurgebieden.

Maar de Veluweroute is meer dan een ruimtelijk concept. Het is ook nadrukkelijk bedoeld om het avontuur van de natuur leven in te blazen en de natuur dichter bij de mens te brengen. Dat is nodig, want de laatste jaren is de natuurontwikkeling en de invulling van de ecologische hoofdstructuur (EHS) wel een erg technisch verhaal geworden.

Aan de hand van een wandeling door de verschillende natuurgebieden die de Veluweroute vormen, neemt Tom Bade de lezer mee om te laten zien hoe mooi de natuur in Nederland is, hoe hard er wordt gewerkt aan nieuwe natuur en welke ongekende kansen er nog bestaan. Dat alles maakt dit boek tot een spoorboekje voor iedereen die de natuur lief is, of gewoon tussen de rails een opvallend inspirerend verhaal te lezen wil hebben.

De Veluweroute is rijk geïllustreerd met prachtige natuurfoto's. Dit boek is uitermate geschikt voor leerlingen en studenten, van hoog tot laag, als discussiemateriaal, als scriptie- of studiemateriaal hoe het verder moet met ons natuurlijk milieu in Nederland. Dit boek mag in geen enkel klaslokaal of huiskamer van elke rechtgeaarde natuurliefhebber ontbreken!

Baxter, Ian L. (Jaar onbekend): Occipital perforations in a late neolithic probable aurochs (Bos primigenius bojanus) cranium from Letchworth, Hertfordshire, UK. Uitgever onbekend. Leicestershire. 101 Station Road, Hugglescote, Coalville, Leicestershire LE67 2GB, UK

Breman, Gerrit, Bram Haak & Piet Hofman (1995): De Hoge Veluwe in de 19e eeuw. Vereniging Vrienden Hoge Veluwe. Apeldoorn. Bladzijden: 176.

Clason, A.T. (1977): Jacht en veeteelt, van prehistorie tot Middeleeuwen. Uitgever onbekend. Haarlem.

Filius, A.M. & O.R. Roosenschoon (1993): "Verloofing" van de Veluwe: financiële consequenties van beperking van de oppervlakte donker naaldbos ten behoeve van het grondwaterbeheer. Landbouwuniversiteit Wageningen, Vakgroep Bosbouw. Wageningen. Bladzijden: 36.

Groot Bruinderink, G.W.T.A., H.G.J.M. Koop, A.T. Kuiters & D.R. Lammertsma (1997): Herstel van het ecosysteem Veluwe-IJsseluiterwaarden; gevolgen voor bosontwikkeling, edelherten en wilde zwijnen. IBN-DLO. Wageningen. Bladzijden: 27.

Groot Bruinderink, G.W.T.A., H.G.J.M. Koop, A.T. Kuiters & D.R. Lammertsma (1997): Herstel van het ecosysteem Veluwe-IJsseluiterwaarden; gevolgen voor bosontwikkeling, edelherten en wilde zwijnen. IBN-DLO. Wageningen. Bladzijden: 27.

Hegener, Michiel, Hans van der Lans & Ruud Lardinois (2007): Gooi Hoge Veluwe open en geef wild vrij spel - Gelders ministaatje vormt het struikelblok voor een echt nationaal park. NRC. Plaats van uitgave onbekend. Bladzijden: 1.

Hagen, Horst (20198409): Wie edel ist das Waidwerk? Ullstein Sachbuch. Berlin. Bladzijden: 349.

Sind die Jäger, die auf Trophäen versessen sind, die die Jagd auf Tiere als sportlichen Wettkampf ausüben, die Tiere totmachen, um ihren Status aufzubessern oder zu erhalten, und sind vor allen Dingen die Vergnügungs- und Erholungsjägerin ihren verschiedensten Spielarten heute noch zeitgemäß? Will und wird die Gesellschaft der kleine Minderheit von Jägern weiterhin gestatten, zum Allgemeinbesitz gehörende jagdbare Tiere zur Befriedigung primitiver Triebe halb oder ganz totzuschießen?

Die Jagd in ihrer bisherigen Form ist ebenso überholt wie Sklaverei, Kinderarbeit oder Vielweiberei. Sie muß abgeschafft werden - so das Fazit dieses Buches. Die Motive der meisten Jäger sind Lust am Töten und Sucht nach Prestige. Die von den Weidmännern gern gebrauchten entschuldigenden oder rechtfertigenden Argumenten werden als bewusste oder unbewusste Täuschung entlarvt, die ‘Waidgerechtigkeit’ ist blutdürstige Romantik oder Zynismus, ihre ‘liebe zum Tiere’ hat dessen Tot zum Ziel, ihre regulative und hegerische Tätigkeit ist nur ein Vorwand. Während die Anzahl frei lebender jagdbare Tiere stetig sinkt und die natürlichen Lebensräume dieser Tiere immer kleiner werden, steigt die Anzahl der Lustjäger ständig.

Doch es geht auch ohne Jäger und Jagd, behauptet der seit mehr als 15 Jahren in Naturschutz engagierte Arzt Horst Hagen, und er tritt den Beweis für diese Behauptung an.

Kuipers, Els (1989): Wildpassage over de A1 op de Veluwe. SNM. Utrecht. Bladzijden: 40.

Niesen, Harm (3-2005): Unieke Sallandse korhoenders bedreigd door de Hoge Veluwe. Argus (De Faunabescherming). Amstelveen. Bladzijden: 12-16.

Het restant Sallandse korhoenders is zeer klein (13 hanen in 2005). Deze kleine restpopulatie beschikt over belangrijke onderscheidende genetische eigenschappen in vergelijking met alle andere Europese populaties korhoenders. De aanstaande herintroductie van het korhoen in het wildpark De Hoge Veluwe is mede daarom sterk af te wijzen.

Schellekens, A.G.A. & W.K.R.E. van Wingerden (1996): Ecologische Verkenning Veluwe, hoofdrapport. Uitgever onbekend. Plaats van uitgave onbekend.

Veen, Harm van de & Ruud Lardinois (1991): De Veluwe Natuurlijk! - Een herkansing en eerherstel voor onze natuur. Schuyt en Co. Haarlem. Bladzijden: 128.

Veen, Harm van de en Ruud Lardinois (1989): Kommentaar op de Grofwildvisie Veluwe. Stichting Kritisch Bosbeheer. Utrecht. Bladzijden: 12.

Veen, H.E. van de (1979): Voedselselectie en terreingebruik door het edelhert. RU Groningen. Groningen. Bladzijden: 20.

Vreugdenhil, Bram (2000): Veluwe 2010 een kwaliteitsimpuls - op weg naar een grenzeloze Veluwe - vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Gelderland november 2000. Provincie Gelderland. Arnhem. Bladzijden: 159.

Ingezonden brief april 2004
Ingezonden artikel Gelderlander
April 2004

Veluwe 2010: een zegen voor Gelderland

Begin april werd natuurminnend Gelderland opgeschrikt door berichten van een meerderheid van Provinciale Staten van Gelderland bestaande uit CDA, VVD en SGP, dat de plannen voor een kwaliteitsimpuls voor de Veluwe te duur zijn en daarom afgeblazen moeten worden. Een plan van ex gedeputeerde Boxem van de VVD! nota bene enkele jaren geleden door de Staten zelf vastgesteld. Met deze houding geven deze partijen blijk van een grove onderschatting van de waarde van de Veluwe voor Gelderland én Nederland.

De Veluwe is met de Waddenzee het grootste natuurgebied van Noordwest Europa en met zijn 30 miljoen bezoekers en ruim 1 miljard omzet een belangrijke economische motor voor Gelderland. In tegenstelling echter tot de Waddenzee heeft de Veluwe een wat duf, stoffig imago. Toch biedt de Veluwe met haar grote aaneengesloten bossen, heidevelden en zandverstuivingen een unieke mogelijkheid om uit te groeien tot het Hollandse Krügerpark. De Provincie heeft dit onderkend en enkele jaren geleden een ambitieus plan opgesteld: Veluwe 2010. Insteek is om van de Veluwe één aaneengesloten natuurgebied te maken, met meer fiets- en wandelmogelijkheden, met voor dier en mens veilige en passeerbare binnenwegen, zo min mogelijk rasters, met recreatiemogelijkheden op die plekken waar de natuur het minst wordt verstoord, met duurzame landbouw die de natuur niet aantast, met ‘poorten’ om ook de randgebieden erbij te betrekken enz. Als deze plannen worden uitgevoerd, zal het in de toekomst normaal worden te genieten van edelherten, niet alleen op de Veluwe, maar ook daaromheen en zal het weer mogelijk zijn om op de Veluwe dagenlange wandelingen door de natuur te maken zonder om de zoveel kilometer op hekken te stuiten.

Deze wervende visie is door velen, waaronder Provincie Gelderland, Rijk, gemeenten op en om de Veluwe, Recron, ANWB, GLTO, Nationaal Park de Hoge Veluwe, Particulier Grondbezit, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en het Gelders Landschap ondertekend. Eerste successen zijn geboekt en niet alleen ten behoeve van de natuur. Twee jaar geleden is het convenant GroeiKrimp tussen de Recron, natuurorganisaties en de Gelderse Milieufederatie ondertekend. Met als gevolg dat er nu weer perspectief komt voor uitbreiding van campings in de omgeving van Beekbergen, Hoenderloo en andere clusters, in ruil voor sanering van campings op voor natuur zeer kwetsbare plaatsen. We hopen binnenkort een convenant voor de ontwikkeling van een duurzame kalverhouderij in de Agrarische Enclave te ondertekenen samen met Provincie, GLTO en de natuurorganisaties. De drie terreinbeherende natuurorganisaties Natuurmonumenten, Het Gelders Landschap en Staatsbosbeheer zijn ook aan de slag gegaan met de sloop van de eigen hekken om hun natuurgebieden, de aanleg van fietspaden, de sanering van ongewenste functies, enz.

Deze investeringen leiden tot een stevige impuls voor de recreatiesector, niet alleen voor de nu aanwezige toeristische doelgroep, maar wellicht ook voor mensen die nu naar Ierland of de Pyreneeën vliegen om grootschalige natuur te ervaren. Andere positieve gevolgen: het woon- en werkklimaat rond de Veluwe blijft op hoog niveau en wordt zelfs in sommige gebieden verhoogd. Nu al willen veel mensen niet in de Randstad werken en wonen omdat de leefomgeving van lage kwaliteit is. Bedrijven in Gelderland hebben in dit opzicht bij de werving van personeel een niet te onderschatten voordeel op het westen.

Maar ondanks de vele handtekeningen onder de intentie, zijn er ook veel tegenkrachten die vooral het eigenbelang in het vizier hebben. Diverse gemeenten (de goede niet te na gesproken) proberen, tegen het plan Veluwe 2010 in, toch stukjes Veluwe te annexeren ten behoeve van woningbouw of bedrijventerreinen en intussen verrommelt de Veluwe sluipenderwijs. Tussen 1996 en 2000 zijn er 2000 nieuwe vakantiewoningen bijgekomen, veelal permanent bewoond, en dit proces heeft zich in ieder geval tot 2004 voortgezet. Door ingrijpen van Gedeputeerde Staten en het Reconstructieplan Veluwe komt hier nu hopelijk een einde aan. Diverse particuliere grondbezitters maken ondertussen weinig haast met de openstelling van hun terreinen voor het publiek, laat staan dat ze de kilometers lange hekken langs hun terrein weghalen. Belangrijke spreekbuis van dit eigenbelang is Nationaal Park de Hoge Veluwe, dat bij monde van haar directeur Van Voorst tot Voorst heeft aangekondigd dat de hekken om haar gebied tot ‘in de eeuwigheid’ zullen blijven staan, “omdat iedere terreinbeheerder een eigen stempel op het gebied moet kunnen drukken”. Met andere woorden: exit één aaneengesloten eindeloze Veluwe.

Provinciale Staten staan op een tweesprong: ofwel er wordt ingezet op daadwerkelijk investeren in een van de meest onderscheidende kwaliteiten van Gelderland namelijk de Veluwe als groot aaneengesloten natuurgebied, ofwel deze toekomstvisie voor de Veluwe wordt losgelaten met als resultaat vrij baan voor verdere verrommeling van de Veluwe door het volbouwen van vrijkomende kazerneterreinen en maatschappelijke instellingen op de Veluwe, volbouwen van de randen van de Veluwe en een toenemende druk van gemeenten als Nunspeet om delen van de Veluwe als woningbouwlocatie te gebruiken.

Wij zijn ervan overtuigd dat alleen aan een wervend toekomstbeeld, zoals verwoord in Veluwe 2010, voldoende kracht te ontlenen is om de Veluwe als aansprekend gebied in stand te houden en te ontwikkelen. Dit is op termijn gunstig voor natuur, recreatie èn economie.

Een aantal mensen die de eindeloze Veluwe en het plan Veluwe 2010 een warm hart toedragen, hebben daarom het initiatief genomen om een vriendenclub voor de Veluwe op te richten. Zij willen op deze wijze het tanende draagvlak zien te keren en met initiatieven komen om kansen te grijpen en verkeerde ontwikkelingen te stoppen.

Volkert Vintges, directeur Gelderse Milieufederatie
Theo Kuijpers, Oud voorzitter Veluwecommissie

----------------------------



1] Er zijn steeds duidelijker aanwijzingen dat de (Noord-)Scandinavische ondersoort van het edelhert door inbreng van edelherten uit Midden-Europa als verloren moet worden beschouwd. Bovendien is nu vastgesteld dat, wat lang voor onmogelijk werd gehouden, edelherten vanuit Denemarken het Kattegat tussen Kopenhagen en Malmö zijn overgezwommen. Deze zijn al heel snel in de diverse restanten van noordelijke populaties in Noorwegen en Zweden doorgedrongen en hebben zich daar vermengd.

Genetisch onderzoek heeft eveneens bevestigd dat er hoogstwaarschijnlijk geen sprake meer is van een Noord-Scandinavische ondersoort. Linnaeus al maakte van het bestaan van deze ondersoort melding, maar ook in zijn tijd werd er al hevig door jagers met uit Midden-Europa afkomstige edelherten gexperimenteerd om deze in diverse met name Zweedse jachtparken uit te zetten.

Vast staat ook dat er sinds de 16e eeuw heel veel ontsnappingen zijn geweest uit Zweedse omrasterde wildparken waar herten door de eeuwen heen omwille van de jacht uit zowat alle delen van Europa zijn uitgezet.

Voorts zijn er meldingen van hybridisering van edelherten met wapitiherten die in Zweden, zij het in geringe aantallen, eveneens in de natuur voorkomen.

Overigens heeft Finland inmiddels al een paar honderduizend uit Noord-Amerkia afkomstige witstaartherten op haar grondgebied.

Af en toe komt het voor dat in Noorwegen en Zweden elandkalveren worden geschoten die achteraf edelherten blijken te zijn… ook geen hoopvol gegeven over het waarnemingsvermogen van onze 'schietende veldwerkers' zullen we maar zeggen.