Artikel

Brandrode


Het brandroderund is een runderras dat oorspronkelijk in Europa waarschijnlijk een van de meest voorkomende rundertypen was, er zijn rond 150 variaties bekend. In de commerciële veehouderij zijn brandroderunderen in onbruik geraakt. Alleen door natuurbeheerders en soms voor begrazingsdoeleinden worden in natuurgebieden zeer recent weer brandrode runderen ingezet.



Door Ruud Lardinois

Dit artikel is oorspronkelijk in 2002 geschreven voor een digitale Cd-rom bibliotheek

Dit artikel is op 28-02-2011 geplaatst
Dit artikel is op 02-05-2012 bijgewerkt






Brandrode
Het is moeilijk voor te stellen dat Nederland met zijn rijke geschiedenis in de veehouderij daaraan slechts vier oudere runderrassen heeft overgehouden. Dat zijn de brandrode, de lakenvelder, de Groninger blaarkop en het Fries roodbont. We steken daarmee zeer schril af ten opzichte van de ons omringende landen. De vier rassen zijn bovendien vrij recente rassen en niet werkelijk uniek omdat zij buitenlandse equivalenten hebben in meest grotere populaties. De economische rol van deze vier rassen is nihil. Het zwartbonte rund dat wij tegenwoordig meestal zien in weilanden, is grof genomen 70% Amerikaans, 20% Duits en het overige meest Deens. Dat hierin geen Fries aandeel zit is opmerkelijk. Het Friese stamboek is veel te lang geselecteerd op weinig ter zake doende uiterlijke kenmerken, die wel alle strikt waren opgenomen in de ‘spelregels’ van het stamboek. Andere belangrijke kenmerken als stabiliteit, gezondheid, duurzaamheid, melkgifte, efficiëntie van omzetting van het voedsel, enzovoort, speelden in het stamboek geen enkele rol. Op het moment dat Amerikaanse veedeskundigen zich bemoeiden met de melkkoe, was het Friese stamboek in geen tijd uitgespeeld en in enkele jaren totaal van het toneel verdwenen.


Database
Het brandroderund ontbreekt overigens in de database van het Breeds of Livestock Project van het Department of Animal Science van de Oklahoma State University. Dit instituut onderhoud een database van veerassen over de gehele wereld. Daarin ontbreken naast het brandrode rund ook de lakenvelder en het Fries roodbont. Wel zijn daarin gegevens opgenomen van de Groninger blaarkop.


Rasomschrijving
Volgens de technische gegevens “staan brandroderunderen relatief laag op de poten en is de kleur diep roodbruin, op de kop naar donker tot zwart neigend, vooral bij de stieren. Witte vlekken zijn er alleen op de extremiteiten, zoals een witte staartpunt, witte sokken en een witte onderlijn. Witte vlekken op het lichaam zijn niet toegestaan” (…) (serieus! -;). (…) “Het gewicht van brandroderunderen ligt ongeveer tussen 500 en 600 kilogram. De brandrode geld als redelijk zelfredzaam.

In 2002 omvat de Nederlandse populatie brandroderunderen vermoedelijk rond 300 dieren.




Informatiebordje uit 2002 over het houden van brandrode runderen in Loenen door Natuurmonumenten.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer






Geschiedenis
Het Nederlands brandroderund is een vrij recent ras waarvan het begin van het ontstaan minder dan eeuw van ons af ligt. De brandrode is min of meer toevallig voortgekomen uit het roodbontvee dat werd ingezet voor de fok van het Maas- Rijn- en IJsselras (MRIJ). Vanaf het begin van de twintigste eeuw kamen in het roodbontvee donkergekleurde dieren voor waarvan de stieren vaak ingezet werden voor de fok van het Maas- Rijn- en IJsselvee (MRIJ). Door de strengere selectie op een steeds hogere melkgifte, vanaf de vijftiger jaren, werd het MRIJ-vee steeds lichter van kleur en werd het aandeel wit in het rood steeds groter. Door inmenging van Red-Holstein vanaf de zeventiger jaren werd dit proces versterkt. De nog aanwezige ‘brandrode’ runderen waren zodoende als het ware overblijvers van het roodbontvee uit een fase in de rundveefokkerij die ligt rond het begin van de twintigste eeuw.

In de jaren tachtig is uit het restant van nog in het land voorkomende dieren een selectie verzameld waaruit vervolgens een fokgroep brandrode runderen is samengesteld. Deze dieren en nakomelingen uit deze groep, dienen sindsdien voor het behoud van het ras en worden wel ingezet in begrazingsprojecten, soms in samenwerking met veehouders en vaak in combinatie met zogenaamde zorgboerderijen. Deze groepen brandroderunderen zijn dan meest beperkt onderdeel van een bedrijfsvoering, maar staan meer in functie van sociale en idealistische doelstellingen zoals de zorg en het behoud van het ras.

De fokkerij van brandroderunderen heeft met de oprichting van Stichting Zeldzame Huisdierrassen in 1976 een meer structurele gestroomlijnde vorm gekregen, het stamboek is echter pas in 2001 ontstaan.

Misschien was het brandrode rund, in al zijn Europawijd ongeveer honderdvijftig variaties, een van de meest voorkomende rundertypen van Europa.




De brandrode runderen van Natuurmonumenten achter prikkeldraad op een weiland. Jammer: met natuurbehoud heeft dit weinig van doen: niet vrij gehouden dieren, onvolledige levensfasen, merkwaardige kuddesamenstelling zoals onevenwichtige geslachtsopbouw waarbij bijvoorbeeld volwassen mannelijke dieren ontbreken.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer






Subsidies
Er zijn tegenwoordig veel overheidsgelden beschikbaar voor het beheer van oude huisdierrassen. In 2002 was daarvoor 900.000 euro beschikbaar. Reeds zes weken na de openstelling op 1 maart van dat jaar was dit bedrag al door de vele aanvragen toegekend. In diezelfde maand nog heeft de overheid toegezegd de totale jaarlijks uit te keren subsidiegelden te verhogen naar 1,2 miljoen.


Duitsland
In het buitenland, vooral in Duitsland, heeft de bovenomschreven geschiedenis van het ontstaan van het brandroderund in Nederland ongeveer een vergelijkbare ontwikkeling gehad. Er zijn daar te lande dan ook vormen van brandroderunderen aanwezig waarvan de ontwikkelingsgeschiedenis overigens nog zeer veel verder terug in tijd is te traceren. De commerciële waarde is ervan op dit moment, net als in ons land, te verwaarlozen, zij het dat bijvoorbeeld het aandeel “Rotes Höhenvieh”, in een deelstaat als Hessen, ooit bijna tien procent van de commerciële veestapel uitmaakte. Met de intensivering van de veehouderij is dat aandeel echter verdwenen. De overgebleven donkerrode runderen worden tegenwoordig evenals in ons land graag ingezet voor begrazing op oude cultuurgronden. Hun aantal in Duitsland is moeilijk precies aan te geven, maar moet waarschijnlijk in enkele duizenden gerekend worden. Gezien het zeer geringe aantal brandroderunderen in Nederland is het niet denkbeeldig dat voor het behoud ervan teruggegrepen zal worden op het Duitse genenmateriaal. Het rund overigens dat ARK onlangs heeft geïntroduceerd en ‘rode geus’ is gaan heten, en is samengeteld uit de Nederlandse resten van brandrode runderen, die feitelijk afkomstig zijn uit Duitsland, en salers-runderen uit Frankrijk. Dat de rode geus “bewust is ontwikkeld om een grote grazer in Nederland te hebben, die zelfstandig de begroeiing in de uiterwaarden in toom houdt”, is overdreven: alle runderen(rassen) kunnen dat en alle runderen zijn voldoende in staat om in een natuur, inclusief winters, te overleven. Alle runderrassen zijn dus prima ‘zelfredzame’ runderen. Wel is het denkbaar dat runderen door hun gedwongen leefwijze in de bio-industrie, dusdanige misvormingen hebben opgelopen, dat zij bijvoorbeeld niet meer zelfstandig in staat zijn om kalveren te krijgen, onder meer omdat deze niet meer door de vaginale opening passen. Zo’n merkwaardige eigenschap is echter direct het gevolg van de angstaanjagende wijze hoe wij in de bio-industrie met dieren omgaan en minder een kwestie van raseigenschap, of zou dat moeten zijn.

Ter illustratie van de invloed van de industrie op gehouden dieren, een ander vergelijkbaar kenmerk, wat bij alle runderen in de bio-industrie is waar te nemen. Het gaat om de vorm van de bek die de laatste decennia opvallende veranderingen doormaakte. Zo rond na de Tweede Wereldoorlog is een steeds strengere selectie op runderen in de bio-industrie ingezet met het voornemen om vooral de melkproductie te verhogen. Peurde mijn grootvader uit zijn drie koetjes in 1950 minder dan een halve melkbus per dag uit zijn drie dieren, tegenwoordig ligt dat een maatje hoger. Zo’n melkbus zal rond 50 liter inhoud hebben, waarmee zijn koetjes 25:3= 8 liter per dag produceerden. Waarmee zijn beestjes misschien 2500 liter per jaar per dier afleverden (zo’n beest heeft wel eens een slechte dag, krijgt een kalf, enzovoort, waarmee de melkproductie al dan niet tijdelijk afneemt}. Tegenwoordig draaien koeien al gauw zo’n 15.000 liter per jaar, 10.000 is niks meer, waarmee zo’n dier voor z’n leven moet vrezen omdat hij dan al snel door een productievere vervangen zal worden. Waar ik heen wil, is dat wat er aan melk en vlees uitkomt, er aan voorkant aan gras aangevoerd moet worden. Met de opmars van die sterk gestegen melkproductie zijn de dieren zodoende steeds grotere hoeveelheden gras gaan vreten. Steeds grotere hoeveelheden te verwerken gras leidde heel duidelijk tot steeds bredere bekken die doen denken aan de brede muilen van nijlpaarden. De capaciteit van wat een hele koe aan gras in melk kan omzetten is echter beperkt: ook de overige organen moeten meewerken om de enorme omzettingen aan te kunnen. Op zeker moment was de groei eruit en was verdere productieverhoging alleen nog mogelijk door aanvoer van veel voedingsrijkere producten dan gras, namelijk in de vorm van verrijkte veekoeken en dergelijke. Die dingen worden in fabrieken vervaardigd, vaak op basis van sojaproducten met diverse toevoegingen. De Hollandse 15.000 liter koe kreeg er zodoende in de vorm van een fabriek een vijfde maag bij en vreet allang geen gras alleen meer. Sindsdien zijn de opvallend brede koeienbekken weer een stuk smaller geworden en is de melkproductie toch verder gestegen. Het wachten is nog op een biochemische installatie op de Maasvlakte die de melkproductie van de koe zal overnemen. De koeien zullen er blij mee zijn.




Deze brandrode runderen in een bos in Midden-Zweden zijn aanzienlijk beter af dan hun Nederlandse vriendjes in Loenen. Het bos ook trouwens. Vrij in de natuur, al zullen ook deze dieren wel voortijdig aan hun einde komen om ergens op een dis aan de mens geserveerd worden. Maar de dieren lopen waar ze thuishoren, namelijk in het bos, hebben een redelijk evenwichtige kuddesamenstelling en er loopt een heuse stier bij…

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer