Artikel

Nachtzwaluw


Voorkomen, gedrag en ecologische ontwikkelingen van de nachtzwaluw in Nederland.




Door Ruud Lardinois

Dit artikel is oorspronkelijk in 2002 geschreven voor een digitale Cd-rom bibliotheek

Dit artikel is op 25-02-2011 geplaatst
Dit artikel is op 28-02-2011 gewijzigd






Verspreiding
Mogelijk dat mede door de bijzondere eigenschap om lichaamsfuncties op een laag pitje te zetten, ten einde langere perioden van voedselschaarste te overbruggen, de nachtzwaluw, die toch als een warmteminnende soorten te boek staat, desondanks vrij noordelijk in Europa broedend kan worden aangetroffen. Er zijn meldingen van broedende nachtzwaluwen in mei in bossen op ongeveer 150 kilometer noordelijk van het Zweedse Göteborg. Deze breedtegraad is ook ongeveer de noordelijkste lijn van het huidige verspreidingsgebied. Er zijn echter ook broedgevallen bekend van de soort tot in de taigazone, zij het schaars. Verder is de vogel in heel Europa aan te treffen, met uitzondering van het hooggebergte in Midden-Europa, Schotland, IJsland en afnemend van Midden- tot Noord-Scandinavië.


Kenmerken
1. Onverwisselbare snorrende zang, hoorbaar vanaf aankomst in mei tot in de herfst rond de periode dat deze trekvogel weer zuidwaarts koerst om te overwinteren.

2. In de schemering nachtactief.

3. De soort bezit het bijzondere vermogen om lichaamsfuncties zoals lichaamstemperatuur en hartslag zodanig te verlagen dat zeer weinig energie wordt gebruikt teneinde langere perioden van voedselschaarsten te overbruggen.

4. Een welhaast perfecte schutkleur, zodat overdag rustende vogels uiterst moeilijk opvallen.

5. Houdt zich overdag zeer goed gecamoufleerd schuil op de grond of zittend, maar liever in de lengterichting zittend op een dikke tak.


Voorkomen
In België en Nederland is de soort sinds het midden van de twintigste eeuw soms met tientallen procenten teruggelopen. In 2001 leefden er in België vermoedelijk nog rond 200 tot maximaal 250 broedparen. Maar die cijfers zijn zeer waarschijnlijk te pessimistisch. Wat later zijn nieuwe gegevens bekend gemaakt van tellingen van 2002 en vooral 2001, waar deze soort in België in het kader van een soortsbeschermingplan intensief is gevolgd. Deze cijfers geven al een beter beeld met een voorkomen van zeker 400 broedparen alleen al in de provincie Limburg. In totaal schat men het aantal aldaar op rond 500 broedparen voor geheel België (bron: Instituut voor Natuurbehoud, 2002).

Nederland herbergde rond 1900 nog enkele duizenden paren. Rond 1975 was dat aantal teruggelopen tot duizend en was het westen van ons land nagenoeg verlaten. Tot eind jaren zestig van de vorige eeuw broedden er zelfs nachtzwaluwen in Zeeuws-Vlaanderen. Sindsdien is, op het Bargerveen in Zuidoost-Drenthe na, ook het noordoosten ontvolkt geraakt. De huidige 400 tot 450 paren leven vooral op de Veluwe en wat minder in Noord-Brabant en Limburg. Volgens tellingen, verzameld door Sovon, herbergde Nederland in 1998 412 paren.

In tegenstelling tot de landelijke teruglopende trend neemt de soort op de Veluwe echter weer toe, al is het laatste jaar het totaal weer iets afgenomen - in 1998 257 en in 1999 180 roepende dieren. Op de Zuidoost-Veluwe in de gemeente Rheden zijn er enkele plekken waar de nachtzwaluwpopulatie de laatste vijftien tot twintig jaar geheel tegen de landelijke trend in vier- tot vijfmaal is toegenomen. Daar waren er in 1999 76 broedparen, in 2000 77 en in 2001 117. Dat is al ongeveer de helft van de hele Belgische populatie! We komen op dit fenomeen en de mogelijke reden zo meteen terug [1]. Op De Hoge Veluwe is de stand van 41 broedparen in 1998 teruggelopen naar 36 in 1999.

De allerlaatste cijfers over 2001 wijzen op een lichte toename van de nachtzwaluw in Nederland. Op de Veluwe was de toename het duidelijkst. Op de Zuidoost-Veluwe echter ongewoon sterk met 52 procent van 77 naar 117 territoria. De Nederlandse populatie was in 2001 ruim duizend broedparen groot.

Verder is de vestiging van de soort in Flevoland opmerkelijk. Er zijn daar in 1999 drie territoria aangetroffen (Sovon Nieuws, juni 2000). In het Leenderbos bevonden zich in 1999 15 broedparen en op de Sallandse Heuvelrug 28 broedparen. Door intensieve beheersmaatregelen is op het landgoed De Utrecht in het bosgebied Esbeek-Netersel - iets ten zuidwesten van Eindhoven, dicht tegen de Belgische grens - het aantal broedparen in 1999 op 68 vastgesteld. Dat is een verrassend hoog aantal. Hoewel het bosgebied vanouds bekend staat als een opmerkelijk goede plek voor nachtzwaluwen, is niet bekend hoe het aantalsverloop daar in het verleden was. Er ontbreken eenvoudig eerdere inventarisaties uit het gebied.


Achteruitgang
De oorzaken van achteruitgang zullen vooral moeten worden gezocht in het minder geschikt worden van de leefgebieden, onder meer door het ouder worden van de bossen. Daarnaast speelt wellicht ook de areaalvermindering van natuurgebieden door andere vormen van landgebruik een rol. Ondanks vele andere suggesties van mogelijke achteruitgang, moet het minder geschikt worden van de leefgebieden als meest waarschijnlijke hoofdoorzaak worden gezien. Aanwijzing daarvoor is het Bargerveen in Drenthe waar de soort in de tachtiger jaren van de vorige eeuw sterk is teruggekomen nadat men diverse pogingen heeft ondernomen om dit voormalig hoogveengebied te herstellen. Bargerveen had lang ernstig te lijden van onder meer ontwatering. Door het afdammen van sloten lijkt het regenwater meer in het gebied te blijven waar het is gevallen, waardoor het proces van veenvorming zich weer kan ontwikkelen. De nachtzwaluw is immers in natuurlijke halfopen vegetaties geëvolueerd: van hoogveenmoerassen in noordelijke streken als het Bargerveen tot steppebossen in het zuiden. Helaas zijn hoogveengebieden als natuurlijk leefgebied, waarmee Nederland ooit voor bijna tweederde was bedekt, nagenoeg verdwenen. De gedegradeerde vegetaties in de vorm van heidevelden en stuifzanden, en wat later de heidebebossingen, die daarvoor althans op de zandgronden in de plaats kwamen, bleken voor de nachtzwaluw een redelijk alternatief leefgebied. Maar dergelijke vegetaties zijn ontstaan door roofbouw door de mens. Tegenwoordig ontwikkelen deze gebieden zich door natuurlijke processen weer meer naar een gevarieerder begroeiing met opgaand bos. Omdat dit proces zich overal in West-Europa voordoet, zie je dat daar de nachtzwaluw achteruit gaat. Alleen in gebieden met nog natuurlijke halfopen vegetaties, zoals in Scandinavië, handhaaft de soort zich goed. Ook natuurlijke begrazing werkt faciliterend: op de mest komen veel voor nachtzwaluwen eetbare insecten voor, terwijl de begrazingseffecten leiden tot afwisselende meer open structuren: van minerale grond, bijvoorbeeld opengekrabde plekken door runderen en korte grazige vegetaties naast ruigere plekken en bosranden. Verderop meer over de ralatie tussen natuurlijke begrazing en nachtzwaluwen.


Voedsel
De nachtzwaluw is een specialistische insecteneter. Liefst grotere insecten vangt hij, overwegend in de schemering en 's nachts en uitsluitend vliegend met een opmerkelijk wijd openstaande bek die als fuik fungeert. Uit de literatuur blijkt dat vooral vliegende motvlinders en kevers worden gevangen en gegeten.

Mogelijk dat de nachtzwaluw als gespecialiseerde insecteneter ook last heeft van bestrijdingsmiddelen die tegenwoordig overal in het milieu voorkomen.

1]. Recent is het vermoeden dat nachtzwaluwen sterk kunnen profiteren van natuurlijke begrazing door grote grazers concreter geworden. Met name op de zuidoostelijke Veluwe zijn daarvoor aanwijzingen ontstaan. Niet alleen is dit de plek waar al enkele jaren vrij levende runderen zijn ingezet voor natuurlijke begrazing, er is tevens sinds begin jaren zeventig van de vorige eeuw gericht gekeken naar het aantal voorkomende nachtzwaluwen. Net als elders in Nederland liep de populatie nachtzwaluwen er sterk terug. Het dieptepunt lag rond de jaren tachtig. Ook het korhoen stierf overigens aldaar in die periode uit. Gevreesd werd dat eveneens de nachtzwaluw op die plek niet zou overleven. Rond die tijd zijn er door vogelwerkgroepen elk jaar systematisch tellingen geweest. De laatste tien jaar tot rond 2000 blijkt de nachtzwaluw er echter plots aan een fors herstel bezig. Van de tien broedparen op het dieptepunt rond de jaren tachtig, steeg de populatie in 2000 naar bijna tachtig broedparen. In 1999 werden er 76 territoria vastgesteld, in 2000 77 en in 2001 steeg het aantal zingende mannetjes naar een ongekende hoogte van 117 dieren.

Het lijkt er op dat nachtzwaluwen kunnen profiteren van de natuurlijke begrazing met grote herbivoren, zoals paarden en runderen. Oude documenten en notities reppen heel vaak van nachtzwaluwen die foerageren rund kudden koeien, schapen, enzovoort. Door natuurlijke begrazing ontstaan vaak allerlei structuren in de vegetatie, hier wat langer, elders weer wat korter, opengewoelde (lig)plekken, enzovoort. Dergelijke mozaïekvormige, meer open gebieden afgewisseld met bos, heeft de nachtzwaluw immers nodig om te kunnen foerageren en te broeden. Deze afwisselende half open plekken zijn tevens zeer aantrekkelijk voor tal van insecten. Op de plekken waar de grote grazers niet of weinig komen ontstaan bosjes of zoomvegetaties met bomen en struiken. Daar kan de nachtzwaluw veilig de dag in rust doorbrengen en zijn jongen grootbrengen. In bestaande bosgebieden op de Zuidoost-Veluwe, waar sinds enkele jaren natuurlijke begrazing wordt toegepast, blijkt de nachtzwaluwpopulatie daardoor, en geheel tegen de landelijke trend in, na het dieptepunt in de tachtiger jaren van de vorige eeuw, met een factor elf te zijn toegenomen. Overigens moet in dit verband opgemerkt worden dat de grote grazers op de Zuidoost-Veluwe niet met chemische preparaten worden behandeld zoals anti-worm-middelen, wat elders helaas vaak wel het geval is. Deze middelen hebben een grote invloed op bacterieel- en insectenleven, eerst in het aldus behandelde dier zelf, vervolgens in de uitgescheiden mest, waar dan normaal juist insecten enzovoort in leven en vervolgens in het milieu waar dergelijk middelen in zouden kunnen accumuleren. Er zijn voldoende publicaties in omloop die het vermoeden van dit zeer ongewenste proces beschrijven. Het is onbegrijpelijk dat sommige natuurbeheerders zich aan dergelijke gevaarlijke middelen vergrijpen. Helaas worden wel degelijk veel in natuurgebieden geïntroduceerde grote herbivoren structureel blootgesteld aan diverse bestrijdingspreparaten… Het is onmogelijk om dan nog van natuurlijke begrazing te spreken…


Bijzondere aanpassing
De nachtzwaluw wordt als specialistische insecteneter in de literatuur vaak genoemd als een soort van gebieden met droge en redelijk warme zomers. Toch heeft de nachtzwaluw, zeker voor een vogel, een opmerkelijke lichamelijke aanpassing, zodat hij langere slechtweerperioden met weinig insecten kan overbruggen, waardoor hij ook in koudere streken met meer neerslag de zomerperiode succesvol kan doorbrengen. De vogel is namelijk in staat om lichaamsfuncties zodanig langdurig te vertragen dat een zekere verstarring optreedt, die aan winterslaap doet denken van sommige zoogdiersoorten. Door een sterk verlaagde lichaamstemperatuur en vertraagde hartslag, verbrandt de vogel en zijn jongen zo weinig energie dat hij wekenlang zonder voedsel toe kan.


Habitat
Zijn leefgebied omvat na het verdwijnen van de hoogvenen meest droge heide- en bosgebieden, in Nederland ook nog op enkele plaatsen in de duinen, vooral in Noord-Holland, verder tegenwoordig meest alleen op de hogere zandgronden. Grove dennenbossen met heidevelden, kaalslagen en randen van zandverstuivingen, zijn daar geliefde habitats. Hoogveengebieden met kleine en traag groeiende grove dennen, zoals we die nog veel in Scandinavië aantreffen, zijn in onze streken waarschijnlijk de oorspronkelijke natuurlijke leefgebieden. Verder bewoont hij subwoestijngebieden en mediterrane gebieden en steppebossen. De soort schijnt zich uit te breiden naar boreale gebieden en zelfs enigszins in streken met een meer zeeklimaat. Uitgestrekte en dichte bossen en gebergten worden gemeden.


Trekvogel
De nachtzwaluw is een trekvogel die in Afrika ten zuiden van de Sahara overwintert. Onze West-Europese vogels overwinteren veel in het midden en zuiden van Afrika. In ons land arriveren de eerste vogels laat in april, de meeste vogels echter in mei. Rond augustus en september trekken de dieren weer naar de overwinteringsgebieden. Althans op de Veluwe heb ik in sommige jaren nog tot in de eerste week van oktober de kenmerkende snorrende zang gehoord. Mei tot en met juli zijn overigens de beste maanden om nachtzwaluwen te horen.


Broedsel
In Nederland is de nachtzwaluw als enige soort in staat om twee broedsels te laten overlappen. Het vrouwtje bebroedt dan het tweede legsel, terwijl het mannetje voedsel aandraagt voor de jongen van het eerste broedsel. In normale tot minder goede zomers komt het echter meestal slechts tot één legsel. De eieren worden zonder enig nestmateriaal op de vrij kale grond gelegd en bebroedt, echter meestal wel in de beschutting van struiken of ruigere vegetatie.


Gedrag
De nachtzwaluw is vooral ‘s nachts actief en houdt zich overdag schuil, meestal zittend in de lengterichting op een dikke tak, soms ook op de grond. De pootjes zijn klein en nauwelijks geschikt om mee te lopen. Lopen lijkt daardoor meer op schuifelen, hij vliegt liever. Bij storing vertrouwt de vogel zeer lang op z'n geweldige camouflage en vliegt pas laat op om al na een klein stukje vliegend weer in de lengterichting op een tak te gaan zitten. Hij is daar, mede door zijn bruingrijze kleur en verstarde houding zo perfect gecamoufleerd, dat hij uiterst moeilijk van zijn omgeving is te onderscheiden. De vlucht is zeer soepel en langzaam, maar vooral ook geruisloos, met weinig beweeglijke vleugels. Het vliegsilhouet herinnert aan de koekoek.


Zang
De zang is een niet te verwisselen gesnor, afwisselend in toonhoogte, dat soms urenlang wordt volgehouden. Van invloed op de zang is ook de dichtheid. Bevat het leefgebied slechts één broedpaar, dan zijn de vogels doorgaans veel minder spraakzaam. In het broedseizoen wordt de zang afgewisseld met glijvluchten, waarbij de vogel klappende (zie ook onder het kopje Vleugelklappen) vleugelgeluiden maakt. In koude en winderige nachten zijn nachtzwaluwen echter weinig of niet te horen. De geluidsopname op deze cd is gemaakt direct na een hevig zomers onweer. Onweer stoort nachtzwaluwen kennelijk weinig.


Vleugelklappen
In vrijwel elke bron wordt het klappende geluid dat zingende nachtzwaluwen soms maken, omschreven als het klappen van tegen elkaar slaande vleugels. Het lijkt echter te zijn bewezen dat dit onjuist is. Niet het met zodanige kracht tegel elkaar slaan van de vleugels veroorzaakt dit kenmerkende geluid. De Duitse onderzoeker Peter Gäth heeft dit fenomeen zo treffend en verhelderend beschreven dat we de relevante tekstfragmenten van zijn bevindingen hier ongewijzigd en onvertaald weergeven.

Klatscht oder knallt der Ziegenmelker (Caprimulgus europaeus)?

Peter Gäth

Zieht man die nicht sehr umfangreiche Literatur über den Ziegenmelker Caprimulgus europaeus zu Rate, so erfährt man, daß das hauptsächlich vom balzenden Männchen zu hörende Flügelklatschen durch Zusammenschlagen der Flügel über dem Rucken entsteht (z.B. Stulcken 1962, Schlegel 1969, viele Bestimmungs- und Handbucher). Doch eine zweite Version gab Guggisberg (1941): "Ich konnte mich einwandfrei vergewissern, daß die Flügel sich beim Klatschen nicht berühren. Das Klatschen entsteht nicht beim Niederschlagen der Flugel, sondern durch eine kräftige Aufwärtsbewegung derselben, die so schroff abgestoppt wird, daß ein starkes Vibrieren der Flugelspitzen entsteht". Er verglich diesen Vorgang mit dem Knallen einer Peitsche.

Die erste Version zieht sich wie ein roter Faden durch die Literatur, ohne daß sie jemals durch eine Beobachtung belegt worden ware. Das "Flugelklatschen" durch Zusammenschlagen der Flügel ist also reine Spekulation. Dagegen blieben die recht genauen Beobachtungen von Guggisberg (1941), der als über die Entstehung dieses Geräuschs berichtet hatte, bis heute weitgehend unberucksichtigt (Ausnahme jedoch Glutz von Blotzheim & Bauer [1980]).

Meine eigenen alljährlichen Beobachtungen an Ziegenmelkern umfassen den Zeitraum 1989-1996. In meinen Protokollen sind viele Beobachtungen enthalten, die Guggisbergs Ausfuhrungen weitgehend bestätigen. Danach ist sicher, daß kurze, plötzlich abgestoppte Flügelschläge sowie eine heftige Flügelvibration einen "Knall" erzeugen. Doch wie entsteht dieses Geräusch, das genau genommen sogar ein Doppelknall ist? Es handelt sich dabei um ein allgemein bekanntes physikalisches Phänomen, das jeder sofort nachvollziehen kann, der ein feuchtes Handtuch ruckartig auf und ab schlägt. Durch die kurze, schnelle Bewegung der Flügel des Ziegenmelkers entsteht eine kleine Wellenbewegung oder Vibration der elastischen Schwungfedem. Dabei reißt der Luftstrom über der Flügeloberfläche bei jeder Richtungsänderung abrupt ab, wodurch jedesmal ein Knall entsteht. Unser langsames Ohr erfaßt die in nur Millisekunden aufeinanderfolgenden Knalle jedoch als ein einziges Geräusch. Der von Guggisberg angeführte Vergleich mit einem Peitschenknall ist sehr zutreffend. Ein weiteres Beispiel ist das Knattern einer in starkem Wind flatternden Fahne, das ebenso durch das ständige Abreißen des Luftstroms entsteht.

Die Theorie des Doppelknalls Iäßt sich sogar beweisen. Parallel zu meinen Beobachtungsprotokollen wurden Tonbandaufzeichnungen der Lautäußerungen erstellt. Dazu verwendete ich ein Uher-Gerät mit vier Bandgeschwindigkeiten. Die Aufnahmen erfolgten stets mit 19 cm/s, das Abhören jedoch mit nur 2,4 cm/s, was etwa einer achtfachen Dehnung der Aufnahme entspricht. Hier lag der Schlüssel fur die Erklärung, denn nun war ein Doppelknall sehr dumpf, aber deutlich vernehmbar. Um diesen auch sichtbar zu machen, wurden von mehreren Aufnahmen Sonagramme erstellt. Sie zeigen jeweils zwei nahe beieinander liegende, parallele Auschläge, also den Doppelknall.

Unter einem Klatschen versteht man gemeinhin ein Geräusch, das durch das rasche Aufeinandertreffen zweier fester oder flüssiger Komponenten entsteht (z.B. Hände). Die Flügel des Ziegenmelkers berühren sich jedoch nicht, weder ober- noch unterhalb des Körpers. Bei dem von ihm erzeugten Geräusch handelt es sich also um das, was man definitionsgemäß als Knall bezeichnet. Daher sollte man also künftig vom „Flügelknallen" des Ziegenmelkers sprechen.

Fiir die Beschaffung von Literatur danke ich den Herren C. Abel (Obernkirchen), E. Paulsen (Ahrensburg), U. Rinke (Hamburg), C. Dyckhoff (Liverpool), K.H. Feldbaum (Dusseldorf) und A. Svehla (Berlin), fur Hilfe bei der Übersetzung Frau I. Freymann (Düsseldorf). Besonderen Dank für die Erstellung der Sonagramme schulde ich HansHeiner Bergmann (Osnabriick).


Literatur
Glutz von Blotzheim, U.N., & K.M. Bauer (1980): Handbuch der Vögel Mitteleuropas. Bd. 9. Wiesbaden.
Guggisberg, C.A.W. (1941): Wie entsteht das Flügelklatschen der Nachtschwalbe? Ornithol. Beob. 38: 121-122.
Schlegel, R. (1969): Der Ziegenmelker. N. BrehmB. 406. Wittenberg.
Stülcken, K. (1962): Über die Schachtelbruten eines Nachtschwalbenpärchens. Falke 9: 219223, 265-271.


Geluidsopname
Zoals gezegd is de bijgaande geluidsopname van een zingende nachtzwaluw opgenomen tijdens en direct na een hevige onweersbui. Al tijdens het wegtrekken van het onweersgerommel begon de vogel weer te zingen. Eerst hoort u het onweer, dan de kenmerkende snorrende zang, de vogel zit verderop in een druipend bos. Na enige tijd vliegt de vogel op, nog steeds zingend, en maakt een glijvlucht, precies in de richting van de microfoon. In die glijvlucht klapt hij duidelijk hoorbaar met de vleugels, terwijl de vogel ook dan blijft zingen. Daarbij vliegt hij over de microfoon heen en landt in een boom iets verderop. De geluidsfragmenten zijn uit één lange opname genipt en aan elkaar geplakt. Overigens volgt om website-technische redenen het geluidsfragment later.