3e keuze
Artikel

Fontainebleau


De oudste bosreservaten van Fontainebleau zijn La Tillaie, Le Gros Fonteau en een deel van La Chêne Brûlé. Deze drie reservaten zijn samen goed voor rond 100 hectare.




Door: Hans van der Lans
Dit artikel is een fragment uit: „Interessante bossen in Nederland en oerwoudresten van Europa (1978).

Dit artikel is op 18-02-2011 geplaatst






Rond het kleine stadje Fontainebleau, zestig kilometer zuidoostelijk van Parijs, ligt op een hoogte van 75-144 meter het Forêt de Fontainebleau van 17.000 hectare. De ondergrond en bodem is zeer gevarieerd. Kalk, zand, zandsteen, klei, aluvium, sterk en zwak reliëf en expositie wisselen elkaar in bonte afwisseling af. Op deze bodem hebben zich vele vegetatietypen ontwikkeld. Het gebied is dan ook vegetatiekundig en botanisch van bijzonder belang en bovendien toeristisch zeer aantrekkelijk. Binnen het grote gevarieerde boscomplex van 1700 hectare liggen de zogenaamde ‘biologische en artistieke’ reservaten. In 1853 werden de eerste twee reservaten onder druk van kunstenaars aangewezen als strikt beschermd gebied. De in die tijd al fraaie en indrukwekkende eikenbossen moesten worden beschermd tegen kaalkap en aanplant van beuken. Later werden opnieuw stukken aangewezen, zodat momenteel 1692 hectare tot strikt reservaat is verklaard. De oudste twee stukken, La Tillaie en Le Gros Fonteau (samen rond honderd hectare tussen Fontainebleau en Barbizon), zijn het interessantst. Sinds ongeveer 130 jaar zijn er geen boswerkzaamheden meer uitgevoerd. De onderstaande bespreking beperkt zich tot deze stukken met de oudste bomen. Ze liggen op vrij vlak terrein en er zijn duidelijke natuurlijke vegetatie- en successiepatronen zichtbaar. Het blijkt dat zich hier, sinds de bestemming tot strikt reservaat, hoofdzakelijk een spontane successie heeft afgespeeld in de richting van een (eiken-)beukenbos.



Fontainebleau rond 1980
© Hans van der Lans






Vegetatie
De hoge boomlaag, bestaat hoofdzakelijk uit honderd tot tweehonderd en ook wel driehonderd-jarige beuken. Hiertussen verspreid staan zeer oude (300 tot 500 jaar) wintereiken en (weinig) zomereiken. De boomlaag bereikt een hoogte van maximaal 35 meter. De woudreuzen kunnen een stamomvang van vijf tot zes meter bereiken.

De beuk verjongt zich overvloedig, zowel onder een gesloten kronendak als op de open plekken. Verjonging van de eik vindt echter slechts zeer plaatselijk plaats. Hoofdzakelijk langs de paden en op open plekken. Zowel de horizontale als de verticale structuur is zeer onregelmatig. Hier en daar zijn open plekjes te vinden, waar herbivoren in staat lijken het dichtgroeien van de open plekken te verhinderen. Deze open bosstructuren zijn vegetatiekundig zeer interessant. In de meeste gevallen groeien opengevallen plekken (ten gevolge van omgevallen woudreuzen) vrij snel met honderden beuken dicht. Er volgt dan een zware concurrentie, waarin slechts enkele overleven. In deze bosstructuren komt meestal weinig ondergroei voor.

Overal verspreid staan en liggen dode en stervende bomen en woudreuzen. Deze zijn vaak begroeid met mossen en paddenstoelen. Soms zijn ze totaal overgroeid door struwelen van braam en andere doornplanten. Slechts plaatselijk komt de haagbeuk voor. Deze soort is voornamelijk beperkt tot de diepste leemgronden. Op de voedselrijke bodems groeit het Melico-Fagetum, het Ouerceto-Carpinetum primuletosum en het Ouerceto-Carpinetum stellarietosum. Enkele opvallende soorten: Ruscus aculeatus, amandelwolfsmelk, peperboompje, boskortsteel, klimop, adelaarsvaren, hulst, sleedoorn, mispel, bosviooltje, eenbloemig parelgras, bosaardbei, liguster, boshyacint, aronskelk en bosanemoon.




Fontainebleau rond 1980
© Hans van der Lans






Fauna
De fauna is enorm rijk, maar het is mij niet precies bekend welke soorten er voorkomen. Van de vele soorten: edelhert, ree, wild zwijn, mol, eekhoorn, koekoek, nachtegaal (enorme aantallen), fluiter, holenduif, zwartkop, gekraagde roodstaart en bonte vliegenvanger.


Reservaatstatus en beheer
De reservaten worden aangeduid als ‘biologisch reservaat’, hetwelk betekent: „Een al of niet bebost gebied waar men de flora en fauna zich laat ontwikkelen onder de enige werking van het natuurlijk milieu, zonder ingrepen van de mens van welke aard dan ook, zelfs niet vanuit wetenschappelijk gezichtspunt (Flon 1950).

Hiernaast bestaan er ook nog begeleide biologische reservaten. Het blijkt dat enkele paden begaanbaar worden gehouden, maar de reservaten zijn buiten deze paden niet toegankelijk. Jammer genoeg is er echter weinig toezicht op de naleving van de regels. Zo beweert men dat de plaatselijke bevolking sprokkelhout uit de reservaten weghaalt. Gelukkig blijven de dode stammen liggen. Ook schijnt er in de oorlog vrij veel gekapt te zijn. Het is in deze nu al 130 jaar oude strikte reservaten vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt van enorm belang de naleving van de regels beter te controleren, opdat dit reeds in 1853 aangevangen experiment zorgvuldig kan worden vervolgd en ons tot lering kan strekken bij het reservaatsbeheer.




Fontainebleau rond 1980
© Hans van der Lans






Bron
Lans, H.E. van der (1978): Interessante bossen in Nederland en oerwoudresten van Europa: een beknopte beschrijving. Landelijke Werkgroep Kritisch Bosbeheer. Ede. Bladzijden: 14.