Artikel

Begrazing


Het E=mc² van natuurbeheer
Is begrazing een ideale beheersmaatregel? Ben je mal! Begrazing is helemaal geen beheersmaatregel.

Begrazing is het logische onmisbare. In alle ecosystemen wil ik wel verklappen. Na groene of vlezige groei is eten en verteren de tweede helft van de kringloop. Met lichtenergie maken planten biomassa uit water, koolzuur en mineralen. Dat moet gegeten worden.


Door: Gerben Poortinga, lezing over begrazing voor het NJN-congres op 30-12-2005

Dit artikel is op 17-02-2011 geplaatst
Dit artikel is op 19-02-2011 bijgewerkt




Als katten geen vogeltjes eten, leven we op de vogeltjesberg, zo beleerde ik mijn kindertjes. En...als er niet begraasd wordt, ontstaat de zuurkoolberg. Bedorven en half vergane zuurkool, want schimmels en bacteriën doen wel wàt maar niet alles. Begrazing is dus niet uitgevonden door rare natuurbeheerders. Grazers zijn dus géén goedkope vervangers van machines. Toe, machines horen niet thuis in de natuur, anders had God of Darwin die wel op de achtste dag geschapen. Wie denkt grazers naar smaak of mode of een spitsvondige discussie uit te sluiten is geen wetenschapper. Als praktiserend vakman is hij of zij een knoeier, een alchimist, een dokter Vogel. Hij behoudt de natuur niet.


Is er dan wel een beheersprobleem? Nee... Natuur beheert zich al miljarden jaren zelf. Het echte probleem is onze kennis tegenover onze cultuur, traditie en ons groepsgedrag. 
 

Is ecologie dan complex? Ik weet het niet. Ik houd het simpel. "E=mc²" is ook heel kort, maar wel het eindresultaat van langdurige wetenschappelijke ontwikkeling. Bij Einstein ging niet plotseling vanuit het niks een lichtje op. Ook niet bij Kritisch Bosbeheer. Wij lazen wèl buitenlandse vakliteratuur. Buiten de lesstof om. Dus niet over het Hollandse Jac. P. Thijsse natuurbehoud. Bijvoorbeeld over de Amerikaanse traditie van Nationale Parken. Of erg theoretische buitenlandse artikelen over de werking van ecosystemen, successie, evolutie en dynamische evenwichten. Mijn E=mc2 van natuurbeheer  moet je maar als volgt lezen: E is  Energie, M is groeiende groene Massa en c² is tweemaal Consumptie (begrazing en predatie).

Maar helaas, éénmaal rondgestrooide kennis wordt cultuur en die heeft dan een lang en eigen leven, net als Spakenburgse klederdracht. Doorwoekerende wetenschappelijke traditie bevordert misvattingen en smoort ontwikkeling. Dat leidt tot bijvoorbeeld CO₂-verdragen met het schaamlapje van aangeplante minibossen voor kachelhout, terwijl elke brugpieper weet dat in de tweede helft van de kringloop alle hout weer verbrand. Als student viel ik middenin die teerput van traditie. Nederlandse ecologen leken bezeten van classificeren, natuurgebieden als vlinders in een doosje, precies het woordenboekenwerk op vaders kantoor. Ecologen en plantkundigen bedreven het classificeren als groepsproces. Rituele dansen uit de tijd van Linnaeus en eerdere soortenzoekers. Met als hoofdtrofee een nieuwe soort of levensgemeenschap op de Rottumerplaat. Om over de natuur als functionerend systeem na te denken, dat leek meer iets voor Amerikanen.




Begrazing is het logische onmisbare





Als student mocht ik daarom oneindig veel Braun-Blanquet-plotjes inschatten, hoepeltjes gooien en vergelijken met de classificaties van Westhof en Den Held (1969), de onaantastbare bijbel toentertijd. Niks van de oneindig variabele natuur wilde echt passen bij die gedrukte classificatie, dus murmelend gemopper van medestudenten en assistenten alom, even zinvol als het classificeren van romans door het tellen van het relatief gebruik van de letter a tegenover de letter q. Maar ja, na-oorlogse godfathers van de ecologie als Westhof en Den Held hadden met onomstotelijke autoriteit net vastgesteld hoe De Vaderlandse Natuur er uit zag, voor altijd, voor alle universiteiten, voor alle wetenschappelijk medewerkers en voor alle studenten. Vooral Oud-Hollandse landschappen, feitelijk zo jong als de leeftijd van éen oude eikenboom. Zij twistten nog of men moest schrijven oicologie, oecologie of dat verfoeide Amerikaanse ecologie... en zij hadden de monumentale autoriteit van Freud en Nietzsche.
En die babyboomers van na de oorlog dan? Ja, wel tijdelijk links, maar wetenschappelijk goed volgzaam. Hoe word je anders prof? Storten zich dus massaal op verder verfijnen van de classificatie. Dat scoorde.

Ach, het zal indertijd wel zijn verdienste hebben gehad, maar nog steeds zitten we, nu 35 jaar later, met onwerkzame natuur- en landschapsdoeltypen, geen intact blauwgrasland meer, weidevogels die alleen nog bij de gratie van het vliegwieleffect tussen het verbeterd Engels raaigras prikken. Flats, snelwegen en fabrieken aan elke horizon. De natuur als na de IJstijden op drift voor Global Warming.


Een andere benadering
Door Cees Piël samengeveegd onder de term "Kritisch Bosbeheer", wilden we dertig jaar geleden zo niet verder. We stelden heel Amerikaans het proces centraal. Het proces van voor en na de IJstijden: van voor en na de mens ook. De levensgemeenschap als samenhang van producenten en consumenten, van eten en gegeten worden, het zonlicht en niet de benzine als de primaire energiebron. Het ‘systeem natuur’ brachten we terug tot groei, dood hout en stront, tot zijn simpele kernfeiten en even simpel als "E is mc-kwadraat" en wij lieten dat los op de praktijk van het Nederlandse Natuurbeheer. Het contrast was schokkend. En wij op onze beurt schokten daarmee de gevestigde praktijk. Dit leidde tot wat nu "Nieuwe Natuur" is gaan heten, natuurtechnisch beheer, de zaak waar we plotseling een hele trukendoos van praktische maatregelen voor moesten bedenken".





Als begrazing het logische onmisbare is, dan is natuur ook het logische onmisbare gevolg van begrazing, in dit geval het Borkener Paradies. Zo eenvoudig is E=mc².





Samengevat
Evolutie en natuurlijke ontwikkeling vinden plaats op een heel andere tijdschaal en veel grotere geografische schaal dan Hollands hakhout. En de bulk van het kringloopproces, rottend hout en stront, was weggedefinieerd, weggeclassificeerd, uit het beheer verbannen en uit de voorlichting geschrapt: stront was geen kernobject van onderzoek. Paarden, koeien en oernatuur uitgestorven, machines deden het werk. Al het bos in Nederland was loze houtakker. Op graslanden heerste van hoek tot hoek het extremisme van het maaien en verschralen. Grazers in het bos? O, o , alleen een hertje... zolang het beestje maar niet bijt.
 
Voordien was begrazing in het bos inderdaad wel buitengewoon taboe. Er mochten eens wat IJslandse pony's in het aanpalende dennenbos op de Mariapeel komen, maar wintervoedering verhinderde gelukkig bastvraat aan de kerstsparren. Alle grazers waren uitsluitend middel, middel tot verwijdering van gras. Het zit nog diep in het taalgebruik van natuurbeheerders. Maar de maaimachine als de beste grazer kon dat kosteneffectiever. En de kuilbult als buik, dat diende de verschraling. De grazers waren een cultuurhistorisch relict. Jammer, maar geen plagschopje aan hun horens.

Ons E is mc-kwadraat werd dus: stront, molm, karkassen en geen prikkeldraad tussen bos en wei. En laat de kramp van doeltypen maar aan de natuur zelf over. We schiepen daartoe twee kernvoorbeelden:

Met grote groepen ex-wilgenknotters vervaardigden we met onze Stichting Vrijwillig Bosbeheer, ondanks wettelijke verboden, grote massa's dood en kwijnend hout in bossen als eerste kernvoorbeeld.

Als tweede kernvoorbeeld selecteerde en kocht ik voor eigen kosten en risico Konikpaarden in Polen. Drie jaar en honderdduizend gulden later introduceerde ik de eerste koniks in Nederland, samen met een voorlopig beheerplan op landgoed de Ennemaborg, toen het grootste bezit van het Groninger Landschap. Het Groninger Landschap tolereerde dat vooral vanwege de goedkoopte. Op het Grontmij-plan met onkruidrijke kleinschalige graanakkers zou men toch failliet gaan. Maar noch het Groninger Landschap, noch Natuurmonumenten of het Wereld Natuurfonds wilden als Hollandse koopmannen maar één dubbeltje meebetalen aan dat Amerikanisme. Niet alleen ten opzichte van de natuur is men behoudend. Nu is dat natuurlijk anders, maar succes krijgt vanzelf vele vaders.

Mijn gift van supergezonde paarden, het geselecteerde puikje van het wetenschappelijk proefstation in Popiëlno, werd stilletjes zonder bedankje aangenomen. Muisstil om geen onrust te wekken, zodat ik gedwongen werd zelf de voorlichtingsklok moest luiden. Maar dit kernvoorbeeld bleek beslist het paard van Troje, het werkte namelijk. Natuurlijk werkte, vanwege het simpele wetenschappelijke E=mc² van natuurbeheer.

In het vervolg kreeg ik veel steun van Frits van Beusekom toen directeur natuurbeheer bij Staatsbosbeheer. In het ‘maandelijks overleg’ besloten we tot verdere stappen zoals de komst van bevers en nog meer konikpaarden in de Oostvaardersplassen. En passant ook maar een blik Heckrunderen en herten opentrekkend. Inmiddels is het recept over alle landsgrenzen geëxporteerd in grootschalige Europese projecten.

Ondertussen was het door ons als "Kritisch Bosbeheer" zo vurig gewenste kernvoorbeeld, de introductie van wisenten en wolven op de hele Veluwe, gestrand op Natuurmonumenten. Al waren wel, onder toch aanhoudende druk van Harm van de Veen, weliswaar geen wisenten maar, oei, Schotse Hoogland Koetjes in een omstreden graasexperiment uitgezet, elk hinderlijk gevolgd door een onderzoeker met opschrijfschrift en met de dierenarts als wolf. De Schotse Hooglander als een soort doorgefokte sullige teckel was wel het laatste rund dat ik als basis voor verdere evolutie zou selecteren. Maar dit beestje had kennelijk het voordeel dat heur haar en horens goed aansloten op ons nationale Heer-Bommel-achtige oergevoel. Hetzelfde harige haar als Bommel en als de wisent wellicht. Bruinachtig pluizig in ieder geval. Mijn mening? Als gehaktbal wegplaggen zou ik zeggen, vervangen voor een beter vollediger genenpool, minder mopshondje meer koninklijk. Ook het bosgebied met extreem verarmde grond en het exotenbos was het slechtst denkbare startpunt.


Waarom toch die konikpaarden?
Ook heel simpel: supergezond paard, geen gebreken, volledig en complex natuurlijk gedrag, veel genen. Zonder bemoeizuchtige hobbyclubs en fokkers vooral. Maar Exmoorpony of IJslanders zijn ook super. Feit is: paarden en koeien zijn vanouds zo massaal gehouden dat noch het rund noch het paard uitgestorven is. Voor geen fractie van hun genen. Ook al wordt die stuitend domme opmerking over ‘uitgestorven’ door tal van goedbedoelende wetenschappers midden tussen die beesten herhaald en herhaald. De wisent, ook volledig afstammend van 'gehouden' dieren en wèl genetisch sterk verarmd, wordt daarentegen niet als uitgestorven beschouwd. Zoiets is voor een weldenkend mens niet te volgen.


Elk paard is geschikt, al zijn sommigen geschikter
Als een paard honger heeft, vreet hij wel en dat is zijn hoofdfunctie. Als hij doodgaat heeft hij weer vlees voor vleeseters, dat is ook zijn functie. Winterhard zijn ze allemaal, tot aan Siberië toe. Geneuzel over winterharde sobere paarden of runderen, daar word ik dus altijd wat lacherig van, zeker in ons lauwe land. Alle grote zoogdieren zijn winterhard, kijk maar in de dierenparken, ook de geklede mens. Natuurlijk is er verschil tussen het grazen van een rups en het grazen van een olifant. De hele range is nodig. Alle hoefdieren van de savanne en alle apen in het bos. In het E=mc² van de begrazing kan men grofweg stellen dat:

- Alles wat een grote maag heeft kan de zaak lang laten composteren, ook oude en vezelig troep. De olifant is daarin natuurlijk kampioen.

- Alles met een klein maagje is fijnproever van vers en licht verteerbaar spul. Maar daartussenin is elke variatie mogelijk. De onderscheidende definities van grazers en browsers zoals die nu in de praktijk van de discussies wordt gebezigd zijn daarom net als andere classificaties: vooral storend in het denkproces. Niet alle grazers zijn onmisbaar. Bij gebrek aan concurrentie kunnen veel hoefdieren hun dieet behoorlijk oprekken. Het paard is wat dat betreft een echte kampioen.

- In New Forest millimeteren ze het liefst de greens. Dagelijkse bijgroei met de kwaliteit van dadels voor Arabische hengsten.

- De koniks op de Ennemaborg eten het liefst kweekgras.

- De Shetlander in het Drentse weilandje achteraf heeft een vertederend dikke grasbuik.


Als een paard niet kan snoepen, stuurt het de rommel handig in nog grotere hoeveelheden door de opzwellende buik en desnoods bij nog slechtere kwaliteit, maar dan halfverteerd nog sneller. Eten als een paard! Dit was één van de redenen dat ik voor het paard koos in het tweede kernexperiment.


Het mooiste project: verban me maar naar Siberië
Gevraagd werd om het mooiste praktijkvoorbeeld te verklappen. Iedereen zal nu denken dat ik de Ennemaborg zal noemen, of de Oostvaarder Plassen. Nee zeker niet. Nou ja, het zijn geslaagde experimenten, voorbeelden die het werk hier deden. En de ontwikkelingen zijn méér dan mooi. Toen ik onlangs met mijn gezin daar een dag door de beheerder in zijn 4WD werd rondgeshowed werd het vanzelf één van de gelukkigste dagen van mijn leven met een hoog Afrika-gevoel. En de door mij geselecteerde paarden op de Ennemaborg zijn kwalitatief nog steeds het beste, maar toch. Dat gepruts op de vierkante meter tussen eindeloze aardappelvelden.

Het meest aansprekende project vind ik... en dat heeft het hele E=mc² van natuurbeheer zoals wij dat bedoelden... Een idee van een heel andere cultureel volk van ecologen, een projectplan met de geografische- en tijd-schaal die recht doet aan de co-evolutie in levensgemeenschappen. Dat is "het Pleistoceen Park Project in Yakutië! De taiga in Noord-Siberië is deels bedekt met enorme bossen en moerassen. Er heeft zich na uitroeiing of uitsterven van de Pleistocene megafauna in de laatste duizenden jaren een dikke laag humus en turf opgebouwd. De bossen zijn zeer eenzijdig geworden qua opbouw en soortensamenstelling en erg brandgevoelig. De laatste decennia heeft het leeuwendeel van deze bossen dan ook gebrand. Wellicht tenslotte een natuurlijke sluiting van de kringloop. In het Pleistoceen was er hier een grazige toendra, overzwermd door grote kudden grazers, inclusief een wisentensoort.

Wisenten zijn als tak aan de runderstam ontstaan in Europa en Azië. De Siberische wisent migreerde verder naar Amerika en splitste zich daar weer in twee ondersoorten, de bosbison en de steppebison. De boswisent bleef meer het oorspronkelijke dier van half open bossen met bijpassend dieet. Het idee is nu om een Pleistoceen Park te maken in enkele deelstaten van Yakutië. Het is een particulier initiatief net als mijn tegendraadse introductie van konikpaarden. De regering in het koude Yakoetsk heeft dit idee warm ontvangen. Eerst een kudde van 20 tot 40 bosbizons, in het hart van het gebied op tien vierkante kilometer. Bij succes gevolgd door nog eens honderd wisenten. Met de groei van de de kudden wordt het reservaat in fasen uitgebreid naar 160 vierkante kilometer, verder naar 600 vierkante kilometer en tenslotte 500.000. Let op: veertien (!) maal heel Nederland. Ondertussen heeft men ook al wat paarden laten verwilderen voor de coëxistentie en wederzijdse facilitering. Uiteindelijk verwacht men dat hier maximaal één tot twee miljoen wisenten kunnen bestaan en dat dankzij de grote kudden hoefdieren de toendravegetatie terugkeert. Men heeft immers geen aanwijzingen dat de toendraplanten met een grote bandbreedte in klimaat door klimaatveranderingen verdwenen zijn. Als men dus naar de ontwikkelingen in het buitenland kijkt, kan men alleen maar constateren, dat voor een echte ecoloog geen plaats meer is in het Nederlandse polderplotje.