Artikel

Bentheimer Urwald-2


Het Bentheimer Urwald ligt niet ver over de grens bij Enschede en is gelegen naast het Kurort in Bentheim.



Door: Hans van der Lans

Dit artikel is een fragment uit: „Interessante bossen in Nederland en oerwoudresten van Europa (1981).
Dit artikel is op 05-02-2011 geplaatst





Vegetatie
Laagland- en rivierbos op keileem. Er zijn zeer duidelijke patronen van secundaire successiestadia aanwezig. Alsmede drogere en nattere stukken met alle overgangen. Er stroomt een beekje door het bos, terwijl ook oude beekmeanders aanwezig zijn. Hoogstwaarschijnlijk is dit bos vroeger beweid geweest. Er zijn nog resten te vinden van het vroegere Kopfholzbetrieb. Men kapte de haagbeuk op ongeveer twee meter hoogte af t.b.v. veewintervoedering (Kopfhainbuchen).




De meanderende beek in het Bentheimer Urwald.

Foto © Stichting Kritisch Bosbeheer (1990)






De boomlaag bestaat uit eik, beuk, haagbeuk, els, es en berk. Opvallend is het grote aandeel van haagbeuk en de terugdringing van de eik door de beuk.

De struiklaag is goed ontwikkeld en bestaat uit hulst, meidoorn, braam en framboos. De kruidlaag is zeer soortenrijk: o.a. geelster, boszegge, lieve-vrouwen-bedstro, heksenkruid, nagelkruid, bloedzuring, bosgierstgras, bosviooltje, grootbloemmuur, gele dovenetel, bitterzoet, eenbloemig parelgras, bosbes en bochtige smele.

Haagbeuk, eik en beuk verjongen zich massaal. Soorten van rijkere bodems en van armere bodems groeien door elkaar. Plantensociologisch is dit bos dan ook nauwelijks te karakteriseren. De variatie in bosgezelschappen is enorm. Een poging tot karakterisering:

- Stellario-Carpinetum stachyetosum (rijk, vochtig);
- Stellario-Carpinetum loniceretosum (armer op pseudo-gley);
- Milio-Fagetum (droger, matig rijk);
- Melico-Fagetum (rijk, goed vochthoudend, zeer lokaal voorkomend;
- Pruno-Fraxinetum (beekbegeleidend).




In 1990 waaide er een hevige storm over ons land. Veel productiebomen waaiden om. In natuurbossen als het Bentheimer Urwald hier en daar enkele individuele bomen. We spreken dan niet van ‘schade’, maar van natuurlijke processen die weer zekere niches toevoegen aan het ecosysteem. Door de vrij hoge grondwaterstand in het Bentheimer Urwald, wortelen de bomen daar veel vlakker. Dat maakt ze wel gevoeliger voor omwaaien. Duidelijk is een vrij vlakke schotelvormige wortelkluit en de daaronder ontstane poel te zien. Tijdens dit bezoek vonden we in deze poel een vuursalamander.

Foto © Stichting Kritisch Bosbeheer (1990)





In het Bentheimer Urwald leven ook grote grazers zoals ree, edelhert en wild zwijn. De aantallen wilde zwijnen groeiden ook hier in 1990 al, net zoals op de Veluwe. Het Bentheimer Urwald was altijd al een bron van deze dieren voor hervestiging over de grens op Nederlands grondgebied. Deze toegelopen dieren uit Duitsland werden echter altijd afgeschoten. Omdat de aantallen dieren steeds maar toenamen, lukte het op een zeker moment niet meer om alle dieren af te schieten. Sinds ongeveer 2005 hebben zich daarom uit deze bron in Nederland permanent edelherten gevestigd. Het wild zwijn zal ongetwijfeld volgen.

Foto © Stichting Kritisch Bosbeheer (1990)






Beheer
Er wordt weinig in dit bos ingegrepen. Het meeste hout blijft dan ook liggen, terwijl stervende bomen of omgewaaide bomen voor een zeer kleinschalig mozaïekpatroon zorgen, hetgeen de plantengroei en de faunabeheer ten goede komt. De rechte en bruikbare stammen worden jammer genoeg nog wel verwijderd. Het bos heeft geen reservaatstatus. Aantasting en rooiing t.b.v. uitbreiding van het Kurort gaan nog steeds door.


Bron
Lans, H.E. van der (1978): Interessante bossen in Nederland en oerwoudresten van Europa: een beknopte beschrijving. Landelijke Werkgroep Kritisch Bosbeheer. Ede. Bladzijden: 14.




Slanke sleutelbloem in het Bentheimer Urwald

Foto © Stichting Kritisch Bosbeheer (1990)





Het Bentheimer Urwald is een fraai wandelbos en optimaal voor het publiek toegankelijk.

Foto © Stichting Kritisch Bosbeheer (1990)





In 1990 is in het Bentheimer Urwald weer voor het eerst uit cultuurhistorische overwegingen het beheer van het zogeheten “Kopfhainbuchen” ingesteld. Het was gebruik om in de Middeleeuwen en tot in de 20e eeuw vooral haagbeuken op ongeveer twee meter hoogte te kappen ten behoeve van veewintervoedering. Het overblijvende dikkere hout was na het afgrazen van het loof perfect brandhout. Dit beheer is in het Bentheimer Urwald in 1990 voor het eerst weer op beperkte schaal toegepast, met name aan de buitenrand waar het bos overgaat in het agrarisch landschap (Bron: aantekening 1990).

Foto © Stichting Kritisch Bosbeheer (1990)