Artikel

Oerbos in Nederland


Hoe heeft het Nederlandse landschap met oerbos er uitgezien en hoe functioneerde het? 




Door: Gerben Poortinga

Dit artikel is op 26-02-2010 geplaatst





Hoe heeft het oerbos er precies uitgezien of liever nog, hoe zouden de bossen zich nu in Nederland bij het tegenwoordige klimaat ontwikkelen? Een blik in het verre verleden kan heel verhelderend zijn. Dan blijkt het bos niet zomaar een perceel aangeplante bomen, maar een levensgemeenschap, die visueel en procesmatig wordt overheerst door bomen en grote zoogdieren, en ontstaan uit een miljoenen jaren evolutionaire ontwikkeling. Door deze evolutie veranderden niet alleen de soorten, maar ook de soortensamenstelling van de diverse typen boslevensgemeenschappen.

Hoewel het loofbos na de IJstijden sterk verarmd aan planten- en diersoorten in onze streken terugkeerde, bleef het een goed functionerend ecosysteem dat zichzelf duurzaam in stand kon houden. Dit houdt in dat de voedselketens goed functioneerden, dat de kringlopen van mineralen (plantenvoedende en lichaamsbouwstoffen) in stand bleven. Zonlicht blijkt dan de energie die de biologische kringloop in beweging houdt. De energie, vastgelegd in suikers en andere organische stoffen, rouleert in zogenaamde voedselketens, die beginnen bij de groene planten en eindigen bij bacteriën en schimmels. Met andere woorden: het zonlicht geeft de energie waarop de planten groeien. Van de planten leven de dieren, paddestoelen en bacteriën en ook deze organismen worden op hun beurt weer door andere organismen verteerd. Steeds wordt het grootste deel van de vastgelegde zonne-energie gebruikt om de lichaamsprocessen in stand te houden (en wordt daarbij omgezet in warmte).


Omdat maar een klein deel, hooguit tien procent, van de energie wordt vastgelegd bij de opbouw van het planten- of dierenlichaam, hebben de voedselketens een beperkte lengte. Ze eindigen als het proces van eten en gegeten worden enkele malen is doorlopen; als nagenoeg alle door de groene planten vastgelegde (zonne-)energie als warmte uit het ecosysteem verdwenen is. De afbraak van de organische stof in de voedselketens zorgt ervoor dat de minerale bouwstoffen weer worden vrijgemaakt en talloze goed op elkaar afgestemde biologische processen zorgen ervoor dat het bos duurzaam (hier in de betekenis van: voor eeuwig) intact blijft.

Het is dus belangrijk dat minerale elementen als fosfor, kalium, stikstof, magnesium, calcium, enzovoort, bij het verrotten van organisch materiaal in een vorm vrijkomen waarin ze door de wortels van de groene planten weer kunnen worden opgenomen en gebruikt voor nieuwe groei. Slechts zelden is een bodem zo vruchtbaar, dat grote verliezen langdurig uit de in de bodems beschikbare ‘voorraad’ bodemmineralen aangevuld kunnen worden. Als deze mineralen bij de vertering van dode organismen, mest en humus zonder noemenswaardige verliezen opnieuw voor de groeiende planten ter beschikking komen, spreekt men van een gesloten kringloop. Deze kringloop is uiterst belangrijk. Immers, als er geen kringloop (meer) is raakt de bodemvruchtbaarheid uitgeput. Omdat de welige plantengroei van een bos niet, zoals een voedselarm hoogveen, voldoende heeft aan de mineralen die vaak uitermate spaarzaam en soms vrijwel niet met het stof in regen en wind worden aangevoerd, zou het bos al na enkele generaties bomen verdwijnen. Het bijzondere van een bos is dat alle bomen schimmelwortels of mycorrhiza bezitten: de boomwortels leven samen met die schimmels en de bomen en schimmels functioneren bijna als één enkel organisme. De schimmels verteren uiteindelijk al het organisch materiaal in het bos, zelfs als dit niet erg energierijk meer is. Daarbij leveren ze de mineralen weer terug aan de boom in ruil waarvoor zij op hun beurt energierijke suikers ontvangen. De bomen leven zelfs samen met verschillende soorten schimmels, die gezamenlijk een grote verscheidenheid aan organisch materiaal kunnen verteren. De samenleving is zo innig dat de schimmels en de bomen elkaars gedrag met hormonen beïnvloeden. Belangrijk in de kringloop is natuurlijk de vertering van hout. Een bos wordt immers gekenmerkt door grote massa's hout en hout bevat nog veel plantenvoedende stoffen. Bij de vertering van het hout, maar ook van zachte plantendelen, spelen behalve de mycorrhizaschimmels nog een groot aantal andere zwammen, bacteriën en vele soorten insecten een rol. Als de mens het hout uit het bos oogst, zal ook het complex aan verteringsprocessen, als schakel in de gesloten kringloop, onderbroken raken en stagneren. In dergelijke bossen verzuurt de bodem. Het onverteerde organische materiaal stapelt zich in dikke viltige lagen ruwe humus op. Deze lagen worden in de loop der tijd vele tientallen centimeters dik en binden een grote hoeveelheid plantenvoedende stoffen, die daardoor onbereikbaar worden voor planten, struiken en bomen en in een latere fase dus ook de fauna. In Duitsland noemt men dergelijke dikke humuslagen heel toepasselijk 'Trockentorf' ofwel turf die wonderlijk genoeg op het droge is ontstaan. Wormen en andere grote bodemdieren kunnen in dit zuurkoolachtige spul niet meer leven waardoor de voor het plantenleven zo noodzakelijke voedingsmineralen in het dikke pakket dode humus in onopneembare vorm opgestapeld raakt. De uitlekkende humuszuren verzuren de bosgrond daaronder, net als een verzuurde regen dat doet. Het ontstaan van 'Trockentorf' is onderzocht in bijvoorbeeld het Mantingerbos in Drenthe. Ook in de nieuwere bebossingen op de arme zandgronden ligt de nauwelijks verteerde humus al in dikke viltige lagen, die door het ontbreken van wormen en andere grote bodemdieren messcherp zijn gescheiden van de zandondergrond.




Hier raakt in een natuurbos een zeer oude boom in verval. De natuurlijke processen middels schimmels, bacteriën, insecten, enzovoort, verteren het lichaam volledig en alle minerale lichaamsbouwstoffen voor plant en dier komen weer terug in de kringloop en zijn een bron van leven.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer




We stipten het al aan: ook de grazende dieren kunnen een belangrijke rol spelen in de biologische kringloop. Plaatselijk kunnen grote hoeveelheden twijgen, zachte plantendelen, grassen en kruiden, worden geconsumeerd. In de maag en darm worden de plantendelen slechts gedeeltelijk verteerd, de mest is echter weer gemakkelijk verder te verteren door gespecialiseerde mestkevers, bacteriën en schimmels. Het voordeel van natuurlijke begrazing is dat de vertering en dus de recycling van organische stof en mineralen erg snel gaat, waardoor overmatige humusvorming wordt voorkomen. Bovendien wordt de mest in talloze kleinere hoopjes gedeponeerd en verstikt het de jonge plantengroei niet, zoals bijvoorbeeld een dikke pruik oud gras op een onbegraasde open plek dat wel kan doen.




Hier raakte de mens als beheerder in verval. Het lijkt wel oorlog. Ja, dan kun je wel een praatje houden dat als de mens ingrijpt en er hout (bosbouw) of dieren (jacht) uithaalt, het wel eens misgaat en kringloopprocessen worden onderbroken en dat daardoor de levensvoorwaarden voor een hele reeks van soorten verminderen. Ja, het is bepaald zorgwekkend dat dat in Nederland nog steeds gebeurt in ‘beschermde’ natuurgebieden. Maar in alle rede kun je van deze gruwelijke kaalslag op Veluwezoom niet meer spreken van natuurbeheer. En nee, deze opname is niet in 1824 gemaakt, maar in 2009.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer




Nog steeds zouden zich zonder de allesoverheersende invloed van de (hout oogstende) mens spontaan bossen vormen. Bos is de beeldbepalende begroeiing in grote delen van de wereld. Waar een teveel aan regen of sneeuw het de grote grazende zoogdieren moeilijk maakte zich in grote aantallen te handhaven, ontwikkelden zich zeer gesloten, betrekkelijk eentonige bossen. Bij een gematigder klimaat zorgden de vele grazende dieren waarschijnlijk voor een veel opener en gevarieerder bosstructuur. Alleen daar waar de levensomstandigheden te moeilijk zijn, veelal door klimatologische omstandigheden bepaald, verdwijnen de bossen van het toneel. Waar het zeer droog, ijzig koud of erg onvruchtbaar is, treffen we toendra's, steppen of hoogvenen aan. Het is niet eenvoudig na te gaan hoe het Nederlandse natuurbos zich tot in deze tijd zonder ingrijpen van de mens precies zou hebben ontwikkeld. Na de IJstijden heeft de mens altijd een belangrijke rol gespeeld, aanvankelijk bescheiden maar gaandeweg sterk toenemend, tot vrijwel alles bepalend nu. Ook het klimaat veranderde voortdurend en de kustlijnen verschoven sterk met het rijzen en dalen van de zeespiegel. Vlak na de IJstijden en vóór het rijzen van de zeespiegel, lag ons land nog niet aan de Noordzeekust. Enkele duizenden jaren later bestond het land echter voor een aanmerkelijk deel uit vruchtbare zilte en brakke kustmoerassen. Sindsdien is de winterkou door de vochtige zeedampen ook ver landinwaarts getemperd. Nog steeds zouden de Nederlandse kusten en rivierdelta's bij een ongestoorde ontwikkeling beheerst worden door uitgestrekte getijdenbossen en brakke moerasbossen. De Hollandse delta zou door de vele overgangen - van droog naar nat, van zoet via brak naar zout, van schraal zand en veen naar vruchtbare klei - een ongelooflijk complex milieu vormen. Ondanks de grote verarming van de natuur zijn de kustgebieden nog steeds het rijkst aan soorten.