Artikel

Kniphorstbos


Van oerbos naar heide, naar Kniphorstbos, naar plantagebos, naar militair oefenterrein, naar Knophorstbos.



Dit artikel is op 19-01-2011 geplaatst

Vanuit Drenthe ontvingen we een lezersbrief over het Drentse Kniphorstbos. Ter kennismaking eerst een inleidende korte schets van de redactie over het ontstaan en ontwikkeling betreffende het Strubben-Kniphorstbos, zoals de volledige officiële naam van dit bos is.





Het Strubben-Kniphorstbos
Het gebied is tegenwoordig 377 ha groot en is samengesteld uit verschillende terreinen van diverse eigenaren zoals stuifzand, heidevelden en oud gebruiks- en productiebos. Zoals vrijwel alle gebieden op de hogere zandgronden is de vegetatie daar in eeuwen van gebruik en roofbouw tot rond het eind van de 19e eeuw van oorspronkelijk en ongestoord bos vervallen tot heide. Opgaande bomen en bosjes stonden er ten leste meest alleen met een economisch gebruiksfunctie. Het strubbenbos is zo’n bostype ontstaan uit oude vormen van bosgebruik dat overal op de hogere zandgronden voorkwam. Het is een veel gebruikte vorm van hakhoutbos en betreft vaak eikenbosjes die om rond de acht tot twaalf jaar zodanig werden afgezet dat zij meerstammig weer konden uitlopen. Hoofddoel was de winning van eikenschors, het zogenaamde eekhout. De schors werd van de afgezaagde stammetjes geklopt, gedroogd en gebundeld verkocht. Uit deze eikenschors wist men looizuur te winnen die destijds onmisbaar was in de leerlooierijen. Later verving men deze looistof uit eikenschors door een goedkopere chemische variant. Daarmee verviel in één klap het belangrijkste functionele gebruik van de strubbenbossen. Om er nog enig profijt uit te halen werden in sommige strubbenbossen op de strubben (de boomstronk waar telkens de uitlopende stammetjes afgezaagd werden) de rommel weggezaagd tot op één rechte ‘toekomststam’ na, waarmee het zogenaamde ‘spaartelgenbos’ ontstond. Die ‘gespaarde’ stammen konden zodoende doorgroeien tot volwaardige bomen en zijn meer geschikt voor gebruiks- en bouwhout.




De foto toont de oogst van eekschillers. In het vroege voorjaar gingen de eekschillers aan het werk. Soms al in februari-maart als de sapstroom in de bomen op gang komt, want dan laat de schors gemakkelijker los. De van de strubben gezaagde stammetjes zijn eerst in het bos bij een werkplek bijeen gelegd. Om een redelijke werkhouding voor het moeizame werk te verkrijgen, stak de arbeider een klein gat in de grond om op de rand daarvan gezeten en met de benen in het gat, vaak ook staande in het gat, de schors van de geoogste stammetjes te kloppen. Met een speciale dikke hamer of de achterkant van een bijl werd de schors van het hout los geklopt. De schors werd vervolgens gedroogd en gebundeld verkocht. Afgerekend werd op gewicht van de aangeleverde schors.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer






Oudere spaartelgenbossen leveren vaak prachtige bosbeelden op. Door de relatief lichte structuur van dit bostype is het er vaak rijk aan mossen en paddenstoelen. Maar hoogmoed komt ook hier voor het verval, want zo’n eenstammige spaartelg op oude ooit meerstammige strubben betekent een steeds zwaardere stam op een wrakke ondergrond. Het gevolg laat zich raden. De meeste spaartelgen blijken nog vóór er een volwassen boom uitgroeid om te vallen, waarmee snel een voortijdig einde in zicht komt van het oude strubbenbos. Vaak werden echter oude strubbenbossen ook respectloos omgezet in productievere houtakkers, niet zelden aangemoedigd door overheidssubsidies (de bosbouw in Nederland leunt zwaar op overheidssubsidies…). Gewoon alles inplanten met economisch interessante boomsoorten. Deze overgroeien altijd de strubben waardoor het oude strubbebos alleen al door lichtgebrek van de sluitende boomkruinen van de aanplantbomen zullen afsterven. Voor dergelijke aanplanten gebruikt men vrijwel altijd snelle groeiers, exoten dus als naaldboomsoorten zoals fijnspar, lariks, douglas, grove den, etcetera. Dan ben je natuurlijk nog sneller van je oude historische bosjes af. Op Middachten op Veluwezoom (zie foto Strubbebos op Middachten) kennen we een voormalig strubbenbos dat nog maar enkele decennia geleden is omgezet in een houtakker, er zullen vast meer voorbeelden zijn.




Dit is een voorbeeld van een spaartelgenbos op zijn laatste benen op de Utrechtse Heuvelrug. De mens gebruikte de bossen door de eeuwen heen zoals hem dat op enig moment paste: van oerbos naar hudewald, strubbenbos, naar heide en zand en zoals hier recent, verder van strubbenbos naar een restant spaartelgenbos tot opgaand bos. En zowaar, na al die transities, zou het gedaan moeten zijn met al die bewerkingen en is dit bosje tot een heus bosreservaatje verklaard. Bij een nietsdoen-beheer zal dit bos echter nog vele eeuwen nodig hebben om een redelijk natuurlijk karakter terug te krijgen. Aangenomen mag dan worden dat veel van dergelijke eikenbossen zullen overgaan in beukenbossen. Oude natuurlijke bossen kennen we dus inderdaad niet meer in Nederland. Helemaal zonder ecologisch belang is dit reservaatje echter niet. Want een bos zoals hier afgebeeld was er weliswaar in deze vorm en vóór de komst van de mens, nooit eerder, en kan dus inderdaad nauwelijks natuurlijk genoemd worden, het zijn vaak wel oude groeiplaatsen die een bron van autochtone bomen en struiken kunnen zijn. Een slimme weloverwogen vorm van natuurtechnisch bosbeheer kan de achterstand in dit bos met een sterk verarmde bosstructuur en soortenvariatie meer versneld terugbrengen, al kun je je in alle redelijkheid afvragen of dat juist in dit postzegelreservaatje zou moeten gebeuren en niet eerst liever in een van de vele pure productiebossen waarvan we er al meer dan genoeg hebben in Nederland en België. Natuurtechnisch bosbeheer kan de opstap maken in de richting van grof genomen het beuken-essen-iepenbos of eiken-lindebos. Op aandringen van Stichting Kritisch Bosbeheer zijn door Natuurmonumenten twintig jaar geleden al op Veluwezoom inderdaad linden aangeplant, zij het in een homeopathische dosering en keurig achter een raster. Zeer recent nog is de terugkeer van de linde, met name de winterlinde, iets voortvarender aangepakt, maar veelal opnieuw achter rasters, waarmee overduidelijk is dat men bomen nog steeds als landschapsversiering beziet òf als een product voor de houthandel. Een omvattende ecologische visie ontbreekt na honderd jaar natuurbescherming nog steeds. Dit terzijde. Voorts is het legitiem omwille van het cultuurhistorische aspect strubbenbossen te behouden. Maar onze cultuur heeft het merendeel van het hakhoutareaal reeds omgezet in productiebossen, waarmee de druk op het te behouden resterende deel des te groter wordt. Mede ook omdat het zo belangrijke autochtone materiaal in strubbenbossen op termijn vermoedelijk meer en meer zal assimileren in het genenmateriaal van de overige bomen, die veelal van onduidelijke exotische groeiplaatsen - vaak uit het buitenland - afkomstig zijn. Nu gaan we nog steeds in Nederland en België in het beschermen of opnieuw tot ontwikkeling laten komen van natuurlijke bosvegetaties met één stap vooruit en op zijn minst weer twee achteruit. Natuurbeschermingstechnisch ontbreekt er een visie hoe deze puzzel aan te pakken: men doet maar wat.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer





Strubbebos op Middachten (Veluwezoom) en als een van de laatste ons bekende strubbebossen verloren gegaan en omgezet in een verschrikkelijke sparrenakker.

Vermoedelijk pas ergens in de 60'er of 70'er jaren is dit strubbenbos van eik, en voor zover nu nog herkenbaar tenminste enkele hectaren groot, op spaartelgen gezet. Aan de gemiddelde leeftijd van de resterende spaartelgen is te zien dat zij rond 1985-1990 òf afgezaagd, ingezaagd of gekapt zijn. Alle spaartelgen zijn door de bosbeheerders bewust kapot gemaakt. Beide ingrepen, het op spaartelgen zetten en deze integrale verwijdering en doodmaken, heeft dus pas relatief laat plaatsgevonden. Men wilde waarschijnlijk van de spaartelgen af om deze door een productievere boomsoort te vervangen. Het hele bos is ingeplant met fijnspar.

Duidelijk zijn inkepingen te zien om de spaartelgen die niet oogstbaar waren te doden. Hier en daar staan nog enkele opgaande eiken en beuken.





Nieuwe winden in oude bosjes
Aan het strubbenbos dankt het Strubben-Kniphorstbos de helft van zijn dubbele naam. Ene Gerrit Kniphorst leverde de andere helft. Hij was burgemeester van Assen en eigenaar van het gebied ten tijde van de markeverdelingen en de grote heideontginningen. Ook Gerrit liet zich niet onbetuigd en begon de heidevelden voortvarend in plantagebos om te zetten, meest grove dennen. De oudste dennen dateren op Strubben-Kniphorstbos van 1864. Ja, je achteraf afvragen wat een bestuurder/politicus nu eigenlijk met heidevelden en akkerhout heeft, is dan een vraag die onontkoombaar in je komt opborrelen. Een vroege Rijkman-Groenink die toevallig dicht bij het vuur zat? Enfin, rond de Tweede Wereldoorlog verviel zijn bezit aan het Rijk en vanaf 1938 werd het Strubben-Kniphorstbos in gebruik genomen als militair oefenterrein. Want je bekwamen in het oorlogvoeren doen wij Nederlanders tot op de huidige dag merkwaardig genoeg bij voorkeur in natuurgebieden. Maar dat terzijde. Delen van het gebied kwamen toen al in beheer bij Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer ging onderwijl vrolijk verder met de uitbouw van akkerhout en plantte er onder andere dennen, lariksen en douglassparren aan. Pas in 2006 ging het gebied van Staatsdomeinen over in handen van Staatsbosbeheer en promoveerde - formeel enkele jaren eerder in 2000 - het Strubben-Kniphorstbos tot archeologisch Rijksmonument. Dit vanwege de prehistorische nederzettingen, hunebedden en grafheuvels, die natuurlijk allang vóór de diverse machtswisselingen al aanwezig waren. Onbekend maakt onbemind zegt het spreekwoord en geroofd was ook hiervan al het nodige, want ten minste twee van de vier hunebedden zijn verloren gegaan. Overgebleven zijn D07 en D08.


Kniphorstbos krijgt upgrade
En daar gaat het nu om: Staatsbosbeheer is nauwelijks eigenaar of wenst de boel eveneens en niet minder voortvarend onder handen nemen. Het gebied zal nu voor de vijfde keer in de recente geschiedenis van gedaante veranderen en is "bezig met de uitvoering van het herinrichtingsplan de Strubben-Kniphorstbos. Er wordt flink gekapt in het archeologisch reservaat Strubben-Kniphorstbos" zo lezen we op haar website. Komisch, dat wat eerst door Staatsbosbeheer aan akkerhout werd aangebracht dient nu weer door dezelve met geschwinde spoed te worden verwijdert. Nederlanders zijn een ijverig volkje. Dat brengt ons onwillekeurig de onderhoudende bezigheid in herinnering van een sloot graven om deze weer te dempen. Maar goed, na een ontspannend filmpje gaan we lekker verder met een kort verslag over de voortgang van dit hervormingswerkje uit de pen van een ecologisch geschoolde en bezorgde briefschrijver.






Beste redactie (lezersbrief)
Jullie hebben vast wel gehoord over de werkzaamheden in het Kniphorstbos tussen Anloo en Schipborg in Drenthe. Gisteren (12-01-2011)  heb ik na geruchten eindelijk de stoute schoenen aangetrokken en ben het Kniphorstbos ingelopen. Dat kunnen we nu beter Kniphorstheide noemen, of Knophorstbos, naar de knoppen.
 
Het werk wordt continu begeleid door een boswachter, die er steeds op toeziet dat de aannemers de historische karrensporen niet beschadigen... want daar gaat het naar het schijnt om, niet om het vervaardigen van heide, maar om oude karrensporen visueel zichtbaar te maken. Toevallig stond de kraan bijna boven op een, zo te zien niet gebruikte, maar toch, (historische?) dassenpijp. Hij vertelde mij dat er elke maandag en donderdag om 16.00 spreekuur is over de kap in het Kniphorstbos in Oudemolen, dus ik ga daar maandag maar eens heen. Want ik kan er nog steeds niet bij dat er een heel bos gekapt wordt omdat men graag diepe insporingen uit het verleden wil zien. Die karrensporen zijn een vorm van natuurschade die we nu gaan vereren. Onbegrijpelijk in mijn ogen. Alle kritiek op natuurbeschermers en bosbeheer is tot daar aan toe, maar het kappen van bos ten behoeve van het laten zien van een paar oude karrensporen had ik nog niet in mijn rijtje. Ook kapt men bos omdat men uitzicht wil hebben op een heuveltje dat ooit als galgenheuvel zou zijn gebruikt. Leuk en respectvol voor de mensen die daar ooit zijn opgehangen?



Reactie van de website-redactie
Nee, deze zat ook nog niet in ons rijtje van waanideeën. Het lijkt er op dat heden ten dage elke zichzelf respecterende natuurbeheerder zijn eigen specifieke onderwerp moet vinden om er vervolgens voor te kunnen gaan om zich groter en belangrijker te kunnen maken? Vrouwen zijn onder dat soort beheerders overigens zeldzaam. Zo hebben we vlinderdespoten, roofvogelspotters, reptielengekken, orchideeënjagers, sprengendelvers, schraalhans-keukenmeesters, heideverslaafden, zandverstuivingadepten en nu dus ook galgenheuvelkijkers en karrensporenijveraars. (leuke woordspelletjes). 


Cultuurhistorisch: maar waar blijft natuurhistorisch?
Het is inderdaad opvallend hoe alle oude vormen van natuurgebruik, van oudsher om te overleven, maar later ook gewone natuurvernieling ten eigen bate, als cultuurhistorisch belangwekkend worden betiteld. Ja, ja, zo was je jezelf bij voorbaat schoon en groen voor alles wat je in je doedwang wil doen en je gaat zelfs zover dat veel wat in het verleden door je voorvaderen werd uitgespookt, wordt goedgepraat. Ontginning van de oerwouden, we moesten wel, het laatste broekbos het Beekbergerwoud, ja we waren zo arm en de werkeloosheid was zo hoog, de gatenkaas van de Wieden en de Weerribben, ten behoeve van de kacheltjes in de grachtengordels in het westen aangericht, de ontwaterde rabattenbossen om hoogwaardiger hout op onnutte gronden te kunnen telen, enzovoort, enzovoort. Ja, ja het is allemaal zo begrijpelijk en dus ook vanzelfsprekend en dus goed. Eigenlijk wordt ook het uitroeien van wisenten, wolven en lynxen en het decimeren van dassen, bevers, herten, wilde zwijnen, reeën, kraaien en het vergassen van vossen en ganzen nog steeds goedgepraat. Nu onder het motto dat jacht noodzakelijk is en natuurlijk ook vanuit cultuurhistorisch oogpunt moet blijven bestaan. Je kunt in de Oostvaardersplassen vanzelfsprekend veel beter aan een kogel van de jachtmeester ten onder gaan dan van de honger en de kou. Vanzelfsprekend is Nederland ook veel te klein en te druk bevolkt om die lastige soorten te gedogen of terug te laten keren, laat staan natuurlijke familierelaties en ononderbroken levenscycli te laten bestaan. Laten we ook maar weer het katknuppelen, het hanengevechten en het dassenbijten in ere herstellen. Het zijn mooie kleinschalige sporten met een regionaal-historisch karakter. Een echt streekproduct. Vergelijk het maar met het jezelf toe-eigenen van de eieren van wilde vogels, het zogenaamde eierrapen in Friesland.


Nagekomen informatie
Zoals zo vaak bij dergelijk projecten is het verhelderend om rechtstreeks van de initiatiefnemers te vernemen wat de doelstellingen, motieven en verwachtingen van bepaalde ingrepen zullen zijn. Omdat het Kniphorstbos het enige archeologische reservaat in Nederland is - is dat werkelijk zo? - is daaruit kennelijk ook de wens ontstaan om die archeologische elementen in het Kniphorstbos meer gewicht te verlenen. Toch bijven er nog veel vragen open: hoe verantwoord je je beheer als je een cultuurterrein als een heideveld en een strubbenbos wilt ‘veiligstellen’, maar een douglasakker niet wilt omvormen tot natuurbos? Een natuurbos heeft toch ook historische waarde? Enfin, het is nog te vroeg om een afsluitend oordeel te vormen. Naar we hopen volgt er later meer klaarheid in dit nieuwe (historische) speeltje en is er bij de natuurbeheerder ook plaats voor natuurhistorisch erfgoed, zoals je toch juist zou verwachten in een natuurgebied? Zoals eerder in dit artikel door ons gemeld: nergens bevat Nederland op haar grondgebied een ongestoord natuurlijk bos van enige omvang. Misschien moeten we mild zijn jegens het nieuw te vervaardigen Kniphorstbos en toestaan dat deze binnenkort Kniphorstbosch gaat heten, maar moeten we tevens eisen dat Staatsbosbeheer even voortvarend gaat werken aan de ontwikkeling van een echt natuurbos van laten we zeggen prehistorische kwaliteit, te beginnen op een areaal ter grootte van het huidige Kniphorstbos, zijnde 377 ha. Als dat geen redelijk voorstel is, dan eten wij onze strubbe op. Wordt dus vervolgt.




—————————————————————

Citaat uit dit artikel: „De bedoeling is dat alle overbodige natuur wordt weggehaald, zodat grafheuvels en karrensporen weer duidelijk zichtbaar worden.” (…) „Van boom tot boom, van struik tot struik, ja van tak tot tak wordt bekeken of die kan blijven of niet.”

.
.
.
.
.



Zie daar de eerste resultaten van noeste arbeid. De praktijk is zoals zo vaak toch weerbarstiger. De linten geven overigens de oude te beschermen karrensporen aan.






Een foto van de op deze webpagina in de lezersbrief aangehaalde dassenpijp . De werkzaamheden zijn inmiddels goed op gang gekomen. Zal de natuurhistorische waarde van de natuur in de upgrade versie 6.0 van het Kniphorstbosch anders gewaardeerd worden dan in het oude Kniphorstbos?





Bronnen
Anoniem (2011): Lezersbrief uit Drenthe.

Elerie, J.H.N. & S.W. Jager en Th. Spek (1993): Landschapsgeschiedenis van De Strubben, Kniphorstbos. Archeologische en historisch-ecologische studies van een natuurgebied op de Hondsrug.

Maes, Bert (2000): Oud bos als bron van autochtone bomen en struiken. Nederlands Bosbouw Tijdschrift. Wageningen. Bladzijden: 134-139.