Artikel

Fauna Advies


Beheeradvies grote hoefdieren - Gerrit Jan Spek, Spek Fauna Advies



Dit artikel is op 15-12-2010 geplaatst




Over de organisatie…
Gerrit Jan Spek is oprichter van het bedrijf Spek Fauna Advies, welke advies geeft over het beleid en beheer betreffende grote hoefdieren. Daarnaast is hij werkzaam binnen ‘Groen Netwerk’ en Wildbeheereenheid (WBE) Veluwe.


Over de Veluwe…
De Veluwe is een grote, droge zandbult met her en der waterbakjes (vennen, oude leemputten, sprengen). De Veluwe is als het ware geamputeerd van de omgeving, want de randen van de Veluwe bestaan uit kleigrond met volop voedsel voor de zwijnen. Op deze kleigronden verdrogen de eiken niet en daar blijft het gras gewoon groen. Het nadeel van de rasters is dat je een soort opsluit, welke geconfronteerd wordt met een marginale voedselsituatie.

De Veluwe is niet uitsluitend een natuurgebied, maar een mix van natuur, landbouw en wegen. Het is zo onnatuurlijk als wat. Daarom kom je in conflict met wilde zwijnen enerzijds en de diverse andere gebruiksvormen van mensen anderzijds.

We zitten in een tijdsfase waarin we de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) hebben, waar we natuurgebieden willen verbinden en daar waar barrières liggen willen ontsnipperen. Vanwege het afschot van wilde zwijnen, en dat men dat erg vindt, moeten alle wegen in een raster gezet worden, met als gevolg maximale versnippering. Die rasters zijn ook een barrière voor fietsers en wandelaars, en daarnaast vind ik al het zicht van al die rasters erg lelijk.

De enige route op de Noordwest-Veluwe waar de edelherten (maar niet de zwijnen), in de Gelderse Vallei mogen komen, is een strook met een breedte van 200-300 meter. Dit is een zogenaamde ‘Robuuste Verbindingszone’. Op dit moment is er geen draagvlak om daar wilde zwijnen toe te staan. Schade in de landbouw en overlast in de tuinen bij mooie huizen, waar men liever geen wilde zwijnen wil, zijn bepalende factoren. Misschien denken we over twintig jaar wel heel anders over het wild zwijn, en zullen wellicht deze soort gaan betrekken bij de robuuste verbindingen.


Over het wild zwijn als onderdeel van ecologisch geheel…
Het zwijn een inheemse diersoort die in ons natuursysteem zit. Een wild zwijn heeft een essentiële functie in de natuur: hij wroet een grasmat open en maakt open plekken in het bos, dat betekent nieuwe leefomstandigheden voor bepaalde planten en dieren.

Als alle ecologische verbindingen tot aan Duitsland gerealiseerd zullen zijn, zullen de leefomstandigheden (waaronder de voedselsituatie) niet anders zijn. Van oorsprong zijn wilde zwijnen nomadische soorten, en vroeger wisten de zwijnen dat ze op het moment dat de eikels vallen op de Veluwe moesten zijn en bij droogte in de uiterwaarden. Dat was al voor de Middeleeuwen zo, waarna wij druk bezig zijn geweest om de wilde zwijnen uit te roeien.

Om een voorbeeld te noemen: in het natuurgebied de Oostvaardersplassen (OVP) loopt één edelhert per hectare – op de Veluwe lopen er gemiddeld 2 á 3 per 100 hectare. In de OVP treedt maximale concurrentie op. Hoe hoger de dichtheid van dieren, des te hoger de concurrentie om voedsel. Mineraalarme gronden kunnen een reden zijn om naar rijkere gronden te trekken.

Voedsel is bij de huidige aantallen edelherten op de Veluwe geen ‘trigger’ om elders voedsel te gaan zoeken. Bij wilde zwijnen in een bos- of natuurgebied wordt de draagkracht bepaald door gras, eikels en beukennootjes.

Het aanbod eikels en beukennootjes is niet voorspellen. Bij een gemiddeld mastjaar ontstaan er waarschijnlijk effecten, omdat er concurrentie gaat optreden. Uit 20 jaar registratie blijkt dat er nooit twee slechte mastjaren achter elkaar komen. Na een goed voedseljaar (goed mastjaar) is de aanwas van een populatie wilde zwijnen 250%, bij een goed jaar is dus er geen sprake van voedselconcurrentie.

Op het moment dat er tijdens slechte voedselomstandigheden een gat in het raster komt, dan trekken de zwijnen naar de andere kant. Een tekort aan voedsel is voor wilde zwijnen dus wel een ‘trigger’ om elders naar voedsel op zoek te gaan. In deze situaties ontstaan er problemen, en is het risico op schade groter.


Over het Faunabeheerplan...
In het oude Faunabeheerplan zie je dat het afschot van wilde zwijnen in de buurt ligt van de aanwas. In veel gebieden in Nederland zitten de reeën op hun draagkracht en worden dus niet door afschot beheerd.

Het nieuwe Faunabeheerplan zit in de fase van goedkeuring door de Provincie. Bij wilde zwijnen is bepaald dat in gebieden met veel infrastructuur de doelstanden niet veranderd worden. Het is belangrijk dat er meer wilde zwijnen kunnen leven, maar we sturen dan op een lage dichtheid.

In het nieuwe plan is gekozen om in het zuiden van de Veluwe te kiezen voor een hogere dichtheid wilde zwijnen. Op de Zuidoost-Veluwe is de stap naar een extensiever beheer al gemaakt.


Over jacht…
Kort maar krachtig gezegd: hoe je het ook went of keert, het verhuur van het afschot aan gastjagers is voor terreineigenaren een belangrijke economische drager.

Het verhaal dat beesten door de bejaging in paniek raken is een mening van anti-jacht-mensen. Er is een telemetrisch onderzoek gedaan naar de effecten van bejaging. De onderzoeker constateert dat er eigenlijk geen noemenswaardige verandering is ten opzichte van het niet-bejagingsgebied. Dus beesten raken helemaal niet in paniek door de jacht.

Op de Veluwe wordt de stand van edelherten op 2.000 gehouden en elk jaar komen er 600 jongen bij (30%). Als je afspreekt om het maximale aantal op 2.000 edelherten te houden, dan moeten er elk jaar 600 afgeschoten worden.

De reden voor het behouden van 2.000 edelherten is in relatie met wat terreineigenaren willen met hun bos. Er zijn terreineigenaren die subsidies krijgen van de overheid voor hun bos. Een teveel aan edelherten heeft een negatief effect op dat bos. Maar er zijn verschillende eigenaren en die hebben allemaal hun eigen idee over hoe zij met natuur om willen gaan.

Er wordt nog heel sterk gedacht dat jagers alles bepalen, maar dat zijn de terreineigenaren. Bij hen ligt ook de verantwoording. Het is een gezamenlijk compromis tussen de terreineigenaren en de jagers.

Het refereren aan een natuurlijke situatie zonder belangen is heel makkelijk, men hoeft dan niets te doen - de natuur regelt het zelf. Maar zodra je in de Oostvaardersplassen een gat in het hek maakt, krijg je daar ook te maken met andere belangen.

Als het gaat om populatieontwikkeling is de S-curve is niet van toepassing voor het wild zwijn, de curve ziet er anders uit. Bij edelherten en damherten ontstaat er uiteindelijk een evenwicht, wat redelijk stabiel is. Een wild zwijn is een r-strateeg, en een r-strateeg krijgt nooit een evenwicht in de populatie. Dat is ook de moeilijkheid in de discussie rondom de populatiegrootte, en het is van belang om dat eens helder te maken.


Over het tellen van de wilde zwijnen…
Het tellen van wilde zwijnen is altijd een discussiepunt. We zullen nooit weten hoeveel zwijnen er lopen op de Veluwe. Er is niet één methode waarmee dat kan. Maar we kunnen wel een beeld krijgen van de grote lijnen en de schommelingen.

De betrouwbaarheid van de telmethode is echter aan het dalen omdat door het natuurlijker gedrag, als gevolg van het voerverbod, niet alle zwijnen op de telplekken komen. Toch is een goede telling belangrijk. De telmethode is daarom in de loop der tijd iets aangepast, maar in grote lijnen nog steeds hetzelfde. Nu is het de kunst om voldoende kennis op te bouwen zodat, rekening houdend met de omstandigheden, men weet welk percentage daadwerkelijk gezien is.

Wil je handhaven op je afspraak (een bepaalde doelstand), dan is de basisvoorwaarde dat je een beeld hebt van de werkelijkheid. Anders loop je altijd achter de feiten aan.


Over populatiebeheer…
De geslachtsverhouding van wilde zwijnen is 1:1, daarvoor geldt de natuur als referentie. Verschillende ingrediënten bepalen de samenstelling keilers, zeugen, overlopers en biggen uit het jaar ervoor. Er wordt geteld, de cijfers worden geïnterpreteerd en ook de aanwas wordt gebaseerd op een referentiejaar qua mast (voedsel) en dichtheid. Voortaan wordt er ook in deze categorie gecorrigeerd voor de voedselsituatie, zowel op basis van ervaring alsmede de referentiejaren. Qua hoogte van het afschot zit het grootst deel in de biggen.

Het beheer is voornamelijk gericht op het schieten van biggen, want daar schiet je in principe óf de vrouwelijke overloper (is een potentiële zeug), óf je schiet de niet-dominante zeug. De biggen van de niet-dominante zeug blijven in de groep. De dominante zeug blijft met haar groep hetzelfde territorium houden, zij gaat door het afschot ook niet weg. Ook als er geschoten wordt blijft ze in haar eigen gebied. Het bleek ook uit onderzoek dat de zwijnen niet weggaan, zelfs met drukjachten gaan ze niet hun gebied uit.

Bij de geslachtsverhouding van de biggen schieten je een klein percentage meer vrouwtjes dan mannetjes. De kans dat mannetjes sterven na de geboorte is groter. Alleen bij goede lichtomstandigheden kun je zien of het een mannetje is, meestal is gewicht dan maatgevend.

Een scheve geslachtsverhouding onder de volwassen dieren wordt bepaald door de wijze van selecteren op geslacht bij het afschot. In situaties met teveel zwijnen heeft het geen zin om een bepaald aantal mannetjes dood te schieten, want er zijn dan juist te veel vrouwtjes.

Een belangrijk punt is wel dat de jagers het afschot zo moeten plegen dat de effecten op de overige dieren zo klein mogelijk is. Namelijk op een wijze dat de dieren geen relatie leggen met het bejagen en de mens.

Er is ook een discussie of je zwijnen dood kunt laten gaan, of dat je ze doodschiet voordat ze te mager worden (en dan kun je ze ook nog opeten). Dat is typisch een discussie van verschillende belangen. Het vlees is hoogwaardig voedsel en de beesten hebben een beter leven gehad dan elders. Het is een ethische discussie, waarbij de één zegt “zo is de natuur”, en de ander zegt “dat doen we in Nederland niet, want zo gaan we niet met onze beesten om”.


Over de zichtbaarheid…
Onder goede omstandigheden kunnen ze in korte tijd hun maag volvreten en de rest van de tijd besteden aan ongein uithalen en slapen. In slechte omstandigheden zijn wilde zwijnen de hele nacht actief om voedsel te zoeken. Als ze ook overdag actief worden, dan is dat een teken dat de voedselomstandigheden nog slechter worden. Dus bij een hoge dichtheid in slechte voedselomstandigheden zijn de wilde zwijnen het meest zichtbaar.

Ik geloof niet dat in voedselrijke omstandigheden zwijnen zichtbaar blijven. Want ze vreten twee uur en hebben zich daarmee voldoende ingesteld op maximale ontwikkeling met een overdaad aan energie en slapen dan ook veel.

De conclusies uit eerdere onderzoeken waren dat bejaging geen effect heeft op de zichtbaarheid van edelherten en ook niet op de damherten, maar wel een groot effect heeft op de zichtbaarheid van wilde zwijnen. Dat heeft, denk ik, met de massaliteit van het afschot te maken. In juli worden zo 4.000 tot 6.000 zwijnen geschoten. Vanaf dat moment gaat de knop om bij wilde zwijnen en veranderd het gedrag.

Het zien van zwijnen is voor een groep recreanten de ultieme wildwaarneming. Er zijn ook veel mensen die het bijvoeren van wilde zwijnen kunstmatig vinden. Dat moet je echt zien als een snoepje, en niet waar ze de hele nacht op kunnen teren.


Over verkeer en veiligheid…
Wildroosters zijn bedoeld om te voorkomen dat wild er overheen komt, en in de regel gebeurt dat ook niet. Toch zijn er voorbeelden van herten en zwijnen die geleerd hebben hoe ze over wildroosters heen kunnen lopen. Maar als je dat dan niet corrigeert door het betrokken dier dood te schieten, dan leren ze dat van elkaar en dan is er een kans op aanrijdingen.

De visie van Wildbeheereenheid Veluwe is dat zij in principe zo min mogelijk rasters op de Veluwe willen. Daarom werd aan de bewoners overgelaten om te beoordelen of de wilde zwijnen een probleem vormden. De meerderheid koos voor de natuur en hadden geen probleem met wilde zwijnen, waarmee het raster er dus niet is gekomen.

De provinciale wegen zijn risicovolle wegen, waar ook ongevallen zonder dat er wild bij betrokken is het meeste voorkomen. Als je gaat kijken hoeveel feitelijke aanrijdingen met wild er zich de afgelopen tien jaar op snelwegen hebben voorgedaan, dan blijft het bij twintig aanrijdingen op de gehele Veluwe.

Ik denk dat er bewustwording nodig is om mensen langzamer te laten rijden. Je moet mensen ervan bewust maken dat er ongelukken met dieren zijn en dat de aangereden dieren ergens met kapotte poten liggen te lijden. Als jij bewust bent van het gevaar van overstekende beesten als je op de Veluwe rijdt, en ook links en rechts van de weg kijkt, dan kun je zelfs een aanrijding voorkomen.

Als je niet getraind bent in het zien van wild, dan is het advies om maximaal 60 km per uur te rijden. Met deze snelheidsvermindering is het mogelijk om alle aanrijdingen met edelherten en een substantieel deel van de wilde zwijnen te voorkomen. Ik denk ook dat je naast bewustwording gebruik moet maken van een stukje handhaving.