Artikel

Ontbossing in Nederland


Steeds vaker komen er gegevens bij ons binnen over het ruimen van bossen in Nederland. Ons bosareaal slinkt. Ons bosareaal slinkt nu met rond 1500 hectare per jaar en deze achteruitgang is vergelijkbaar met de ontbossing in tropische landen. Het tempo van verlies is verontrustend.



Dit artikel is op 29-05-2010 geplaatst



Bos is niet altijd bos
De laatste jaren is er bij Stichting Kritisch Bosbeheer (SKB) steeds meer de indruk ontstaan dat het bosareaal in Nederland afneemt. Het is heel moeilijk om dit beeld te kwantificeren, omdat daarvoor harde cijfers ontbreken en die op het niveau van een enkele organisatie ook bijna niet te verwerven zijn. Alleen de rijksoverheid beschikt mogelijk over integrale landelijke gegevens, maar zelfs die zijn met voorzichtigheid te genieten. Op de eerste plaats omdat de overheid bos merkwaardig kwalificeert. Een rijtje bomen van twintig stuks als snelwegbeplanting kan al als bos aangemerkt worden. Vervolgens ook dat bij ingrepen waarbij bos verloren gaat het betrekkelijk gemakkelijk is om dit verlies te ‘compenseren’ omdat oud bos, dat per definitie waardevoller is, vervangen kan worden door nieuwe aanplant. Veel bos gaat ook verloren aan wegenbouw, woningbouw en uitbreiding van akkergronden, niet zelden ook illegaal en sluipend. SKB heeft in de negentiger jaren van de 20e eeuw op grond van eigen verzamelde gegevens berekend dat toen op de Veluwe zo’n duizend hectare bos per tien jaar verloren ging. Dat proces is niet geëindigd, integendeel, er is een nieuwe variant van ontbossing opgang gekomen door natuurbeheerders zelf: bos wordt steeds vaker opgegeven voor andere landschapstypen.


Bos steeds vaker omgezet in andere landschappen
Er heerst sinds enkele jaren een duidelijk stijgende tendens om bossen te vervangen door heidevelden en zandverstuivingen. De motieven daarachter zijn niet altijd onduidelijk. Dat verbaast des te meer omdat bestaande heidevelden en zandverstuivingen in Nederland ecologisch gezien in een slechte staat verkeren. Dit ondanks het uitproberen van telkens weer nieuwe beheersmaatregelen om die achteruitgang te keren, hetgeen maar matig succesvol is omdat de redenen van verloedering buiten schot blijven. Er zijn wel lokale initiatieven die aanspreken, maar mede door het arbeidsintensieve karakter ervan, en dus hoge kosten, op grotere schaal onuitvoerbaar. Dat neemt niet weg dat vijand nummer één voor heide en zand, de vermesting uit landbouw en industrie, onverminderd doorgaat. Ook accumuleren zich in de bovenlaag van dergelijke terreinen giftige stoffen als zware metalen, pcb’s, dioxines en dergelijke. Vrijwel alle bodems in Nederland zijn ernstig vervuild. Deze vervuiling is een onderschat probleem dat ten koste gaat van het bodemleven en vooral ook het voorkomen van bijvoorbeeld insecten waardoor uiteindelijk ook insectenetende soorten worden belast zoals de nachtzwaluw. Op het gebied van vermestende stoffen was er enige jaren een lichte verbetering, maar die was te weinig en te kort en zet inmiddels niet meer door. Grote heidevelden en zandverstuivingen groeien nu zo snel dicht dat afplaggen, zoals dat vóór de industriële vervuiling in perioden van 25 tot 50 jaar nog effectief was, nu al niet meer voldoet in een sequentie van vijf jaar. Dat overleeft geen enkel plant of dier. Met andere woorden: zonder gewijzigd beleid groeien er op schrale of verschraalde terreinen binnen enkele jaren pakketten gras of pitrus.


Natuur als wandversiering
Naast natuurbehoud of ecologische motieven, zijn er vermoedelijk ook esthetische motieven in zwang om bos door heide of zand te vervangen. Het is mogelijk dat bepaalde geledingen in onze samenleving heide of zand visueel aantrekkelijker vinden. Wij vermoeden dat dit bij beleidsmakers, gemeenten en provincies een grote rol speelt om zo meer toeristische aantrekkelijkheid te creëren, al wordt er nooit in directe zin op deze wijze over gespeculeerd. Toch is er een duidelijke competitie merkbaar tussen provincies en gemeenten om grotere aantallen toeristen te trekken, wat een opdrijvend effect teweeg lijkt te brengen. Cijfers van toeristenbezoek aan de Veluwe worden immers heel vaak gespiegeld aan die van Drenthe of aan strandbezoek. Het is nu provinciaal beleid, met de bijbehorende budgetten, om het aantal bezoekers aan de Veluwe weer hoger te krijgen dan het aantal strandbezoekers. De Veluwe moet liefst naar nummer één. Toch wordt het kappen van bos voor het aanleggen van heide en zand door provincies en gemeenten naar ons weten altijd vanuit natuurtechnisch-overwegingen gemotiveerd. Dat maakt het zeer verwarrend om te analyseren welke processen en wensen er precies in dit krachtenveld van conversie van bos naar heide en zand werkzaam zijn.


Natuur als speelweide
Ten slotte is er een ander belangrijk motief om bos te vervangen door zand en heide. We schreven er in een andere context al over. Militairen worden tegenwoordig steeds vaker uitgezonden voor ‘taken’ elders. En daarvoor is een ander type oefenterrein nodig. Bestaande terreinen zijn vooral ingericht op de inzet van groot materieel. De nieuwe taken vergen andere vaardigheden die kennelijk beter te oefenen zijn op andersoortige terreinen. Vanouds rustten op heel veel natuurterreinen militaire gebruiksclaims. Zelfs grote natuurgebieden en nationale parken, of delen daarvan, zijn feitelijk ook militair oefenterrein. Door de veranderende militaire visies wordt er weer meer beslag gelegd op dat recht van militair medegebruik. Meer zandverstuivingen en heidevelden passen daarin. En voor zover ze dichtgegroeid zijn, en dat is heel vaak in Nederland het geval, worden ze weer ‘hersteld’ tot ‘cultuurhistorisch unieke’ zand- of heidegebieden. Daar schuilt zeker niet alleen een natuur-ecologisch motief achter, al wordt dit vrijwel altijd wel als zodanig gemotiveerd. Het natuur-ecologisch motief is ook niet erg overtuigend, omdat de bestaande zand- en heideterreinen vaak in zeer slechte staat verkeren en soms zelfs al zijn opgegeven, zoals de Terletseheide in het nationaalpark Veluwezoom, dat eind vorige eeuw nog het speelveld van regelmatige militaire oefeningen was. Het Rozendaalse Bos, Rozendaalse Veld en Rozendaalse Zand aan de Veluwezoom (eigenlijk één gebied), idem dito. Er zijn vele andere voorbeelden.


Schattingen van de ontbossingen
Drie auteurs, werkzaam bij Alterra, beschrijven deze indrukken van ontbossing in Nederland in een artikel van september 2005. Zij komen tot de vaststelling dat in Nederland in de jaren negentig 0,4% ontbossing (‘bos’ volgens de bosdefinitie) per jaar heeft plaatsgevonden.„ Dit cijfer, dat neerkomt op een jaarlijks verlies van zo’n 1500 hectare bos, komt overeen met een ontbossingssnelheid zoals we die nu kennen uit tropische landen.” Verontrustender is echter naar onze opvatting niet eens de areaalvermindering, maar de veranderende kwaliteit van het bos in functie van de koolstofhuishouding maar bovenal biodiversiteit. De clou zit ‘m in de veranderingen van de bosopbouw. Bijvoorbeeld het ruimen van 150 jaar oud bos (zie bijvoorbeeld het plan ‘Heiderijk’ bij Nijmegen) en het eventueel compenseren ervan door aanplant elders. Dat levert dan een heel ander bos op met vrijwel altijd vermindering van biodiversiteit. Er zijn tal van dergelijke processen van achteruitgang en verlies te beschrijven in ons drukke bezige landje vol herinrichtingen. Oud natuurlik bos is een van de zeldzaamste vegetatievormen in Nederland. Er is ook geen landelijk beleid, noch van de overheid, noch van de terreinbeherende natuurorganisaties, waarin een bosvisie is of wordt ontwikkeld voor toekomstig beschermd oud natuurbos, hetgeen we nader analyseren in het artikel Wat is een bosreservaat?

Maar zoals gezegd verdwijnt er binnen het natuurbeleid ook veel bos ten behoeve van andere vegetatietypen. Daarbij gaat het in de meeste gevallen om vegetatietypen die hier niet van nature voorkomen of andere vormen van landgebruik, zoals heidevelden, zandverstuivingen en landgoederen (cultuurlandschappen). Maar ook ontbossingen voor andere natuurdoelstellingen ten behoeve van soortenbeheer zoals het korhoen of weidevogels komen voor. Er is zelfs bos dat geleidelijkaan, en soms illegaal, veranderd in een parkachtig landschap met weiden om er drijfmest te dumpen of om aan een vorm van esthetische landschapsbeelden te voldoen en daardoor gaandeweg steeds meer bijvoorbeeld in een weiland of akker veranderd. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van zogenaamde vlechtheggen. Er zijn zelfs subsidieregelingen voor die veelal in het begrip ‘agrarisch natuurbeheer’ zijn te verstaan. De meeste belangenorganisaties zijn verslaafd geraakt aan subsidies. Nieuwe komen er aan zoals het kappen van bossen en houtwallen om versnippert in elektriciteitscentrales te verbranden. De terreinbeherende organisaties leveren graag en gretig. Het ecologisch belang van dood hout was al redelijk ingeburgerd geraakt. Nu worden steeds grotere hoeveelheden biomassa afgevoerd waar insect, kever, schimmel of paddenstoel part noch deel aan heeft. Bomen en struiken verkeren dan nog uitsluitend in een groeifase en worden vervolgens aan de ecologische processen onttrokken. Zo wordt aan de levensvoorwaarden van zeker de helft aan organismen in een bos getornd en natuurlijke kringloopprocessen worden gewetenloos doorgesneden.

Dit beleid dat zich richt op veranderingen in ons bosareaal laat vooral de laatste jaren een plotseling stijgende tendens zien. Het verloopt sluipend en de plannen worden ingevoerd zonder openlijke discussie’s en worden vooraf nauwelijks als zodanig door beleidsmakers naar buiten gecommuniceerd. Het publiek merkt dergelijke veranderingen vaak pas als voor hun deur in hun favoriete bos plots wordt ingegrepen, momenteel een haast alledaagse gebeurtenis die doorgaans lokaal tot opschudding leidt en vrijwel altijd smoort in de zeer verschillende machtsverhoudingen en dus ook zelden of nooit tot fundamentele wijzigingen van (natuur)beleid voert. Door al deze ingrepen tezamen te kwantificeren ontstaat echter een verontrustend beeld van sluipende ontbossingen. Kenmerkend bij dit proces is dat zich alles binnenskamers afspeelt zodat niet gemakkelijk enige samenhang is te ontdekken in de achterliggende processen en beleid. Als de voortekenen ons niet bedriegen dan mag er de komende jaren een versnelling van dit beleid verwacht worden. Veel bossen zullen binnenkort verdwijnen voor andere doelstellingen. Op de Veluwe, in Drenthe, Achterhoek en Noord-Brabant zullen duizenden hectaren worden omgevormd voor andere functies op zand en heide.


Conclusie
Globaal genomen lijkt het wel zeker dat er in de komende jaren overal op de hogere gronden forse arealen bos zullen verdwijnen voor heidevelden en stuifzanden. De ontbossingssnelheid is verglijkbaar met het verdwijnen van tropische oerbossen. Het achterliggende beleid speelt zich in besloten kring af en de belangstellende waarnemer bemerkt dit in de meeste gevallen pas op het moment wanneer de kettingzagen worden uitgeladen. Onder dekking van een verstikkende bureaucratie bij overheden en belangenorganisaties, welke laatsten zich structuereel laven aan subsidiestromen waardoor onafhankelijke kritische beschouwingen zeldzaam zijn. Wie dit spel onvoldoende meespeelt is gedoemd te marginalseren zoals onlangs weer blijkt uit het volledig dichtdraaien van de subsidiekraan door de provincie naar de Gelderse Milieufederatie: „wij ondersteunen geen organisatie die op onze kosten maar bezwaarschriften blijft produceren tegens ons beleid”.