Artikel

Natuurmonumenten


Onafhankelijk natuurlijk – Wim Knol, Natuurmonumenten

Natuurmonumenten is beheerder van Nationaal Park Veluwezoom, in totaal zo'n 5.100 hectare groot. Het natuurgebied ligt grotendeels op de Veluwe en voor een klein deel aan de IJssel. De Veluwezoom is niet omrasterd en vormt met aanliggende gebieden een groter geheel van circa 12.000 hectare waarin het wild zwijn ook voorkomt.



Dit artikel is op 08-11-2010 geplaatst


Over de Veluwe...
Het verwijderen van de rasters en dus het vergroten van de leefgebieden is een van de vele doelstellingen van Natuurmonumenten, daarmee wordt de mogelijkheid tot seizoensgebonden migratie vergroot. De rasters die men op de Veluwe nog ziet, hebben vooral te maken met de duizenden eigenaren op de Veluwe die ieder een klein stukje grond hebben. Het zijn vooral de particulieren die er al gauw een raster omheen zetten zodra ze last hebben van dieren of gewoon uit gevoel voor veiligheid.

Dat de Veluwe een voedselarm gebied is, hoeft er niet op te duiden dat de dieren er niet gezond kunnen leven. Onderzoek naar het DNA van de edelherten en wilde zwijnen op de Veluwe duidt erop dat het een genetisch hele gezonde populatie blijkt te zijn.



Over het wild zwijn als onderdeel van het ecologisch geheel...
Zieligheid bestaat niet in de natuur en natuurlijke sterfte is de motor achter de evolutie van soorten. Selectie en adaptatie van een soort bepalen of een dier een strenge winter overleeft. Deze natuurlijke selectie past veel beter bij het beleid van Natuurmonumenten dan het doodschieten van dieren voor voedsel, sport of ander tijdverdrijf. Dode dieren vormen op hun beurt weer voedsel voor andere dieren. Zo is de natuurlijke kringloop weer compleet en levert extra biodiversiteit op.

In rijke jaren zijn er veel nakomelingen, in krappe jaren is dat minder. Dan gaan de meest zwakke dieren dood, dat vinden wij natuur. De hoeveelheid voedsel bepaalt dus hoeveel dieren er zijn. Dat heet draagkracht van het gebied. Echter voor edelherten, wilde zwijnen, damherten maken we uitzonderingen. Ook al treedt er geen schade op. Bij wilde zwijnen zakt de populatie in elkaar als er geen voedsel meer is, maar kruipt ook weer snel uit het dal.

Door strengere winters gaan er een heleboel zwijnen van nature dood. Door die fluctuatie in aantallen zijn er perioden waarin de bodem intensiever wordt bewerkt, gevolgd door perioden van rust bij lage aantallen. Dat levert nieuwe leefomstandigheden op voor flora en fauna. Een wild zwijn heeft zoveel invloed op de bodem waardoor zich tal van pionierssoorten zich kunnen ontwikkelen. Daarbij eten ze ook grassen, muizen en kadavers. Het is een belangrijke schakel in eten en gegeten worden en bij uitstek een soort die het kringloopproces bevorderd.

Wat je ziet is dat weinig voedsel leidt tot natuurlijke sterfte. De meest aangepaste dieren zijn overgebleven. Niet iedereen kan hiermee uit de voeten. Want sommigen vinden het gewoon verschrikkelijk als ze een heel mager wild zwijn zien, en vinden dan dat wij zouden moeten ingrijpen. Wij vinden het echter natuurlijk en een onderdeel van het geheel. Hoe groot het gebied ook is, het voedsel is altijd een keer op. Vele varkens maken de spoeling dun en dat reguleert zich dan weer.



Over beleid en faunabeheerplan...
Het vastgestelde getal van 835 komt uit een onderzoek van Geert Groot Bruinderink en is wat ons betreft zeer discutabel en achterhaald. Het getal komt als een duveltje uit een doosje en is een beetje misbruikt voor het Faunabeheerplan.

Voor het nieuwe Faunabeheerplan hebben wij vanuit Natuurmonumenten voorgesteld om alleen daar in te grijpen waar een probleem zich voordoet. Eerst preventief en als het niet anders kan, dan met afschot. In de oude situatie moest je op de Zuid-Veluwe dieren schieten omdat er op de Noord-Veluwe aanrijdingen waren. Dat had geen enkele zin want we zitten hier in een groot omrasterd gebied van welgeteld 12.000 hectare.

In het nieuwe Faunabeheerplan speelt de provincie meer in op maatwerk. Kort gezegd lost het probleem zich daar op waar het zich voordoet. Dat is voor ons een veel beter uitgangspunt. De uitwerking hiervan is echter niet zo goed. Op de Zuidoost-Veluwe is de stand in het voorjaar omhoog gegaan van 150 dieren naar 300-500 dieren. Dat kan na een aantal voedselrijke jaren leiden tot veel afschot. Beter was het geweest om natuurlijke sterfte een veel groter rol toe te kennen in gebieden waar zich geen probleem voordoet.



Over jacht en schade...
Binnen Natuurmonumenten wordt er dus niet gejaagd, tenzij er een dringende reden is om dat wel te doen. De vereniging wil liever geen dieren doodschieten, omdat we zoveel mogelijk een natuurlijk beheer propageren.

Voorheen werden kleine jachtvelden vaak omrasterd en de wilde zwijnen werden gevoerd met onder andere afvalresten vanuit de horeca. Ze werden daar snel dik en vet van ten behoeve van de jacht. Dat is een vorm van extensieve veehouderij of 'wildhouderij' die thuishoort in de landbouw en niet in natuurgebieden. Eigenlijk waren het daardoor gehouden dieren, tegenwoordig moet volgens de Flora- en Faunawet een gebied minimaal 5.000 hectare groot zijn wil er sprake zijn van 'wild'.

Enkel onder bijzondere omstandigheden wordt er ontheffing aangevraagd (het 'nee, tenzij-principe'), dit kan betrekking hebben op schade; zoals bijvoorbeeld landbouwschade en verkeer, dierenziekten of het welzijn van dieren. Dat laatste is echter bijzonder typisch omdat voor alle andere dieren dit welzijnsargument niet geldt.

Schade in het verkeer, wildaanrijdingen, kun je beperken tot een slimme inrichting van de weg en op die manier kan een wegbeheerder bijdragen aan de veiligheid. Ik vind dat je in een natuurgebied je snelheid moet aanpassen en niet alleen vanwege de wilde zwijnen maar ook vanwege andere dieren.