Artikel

Alterra


Wetenschappelijk geworteld – Geert Groot Bruinderink, Alterra

Dr. Groot Bruinderink is onderzoeker aan het onderzoeksinstituut Alterra te Wageningen, hij is een deskundige op het gebied van grote hoefdieren.



Dit artikel is op 08-11-2010 geplaatst


Over de Veluwe...
De Veluwe heeft over het algemeen een arme ondergrond en dat betekent dat een deel van de totale nutriëntenbehoefte problematisch kan zijn voor dit soort dieren (grote hoefdieren). Van oorsprong hadden deze dieren ook toegang tot rijkere gebieden en zal dat ook nooit een probleem geweest zijn. De Veluwe op zich, zonder de randgebieden, zijn tamelijk ongeschikt voor dit soort beesten. Voor alle hoefdieren geldt, hoe groter en gevarieerder het leefgebied – hoe beter. Want dan is de kans voor een populatie ook groter en gevarieerder. Hoe groter de populatie, hoe kleiner het uitsterfrisico.

Wat ik persoonlijk van de Veluwe vind, is dat er nogal veel bos is. Terwijl iedereen weet hoe belangrijk open terreinen zijn voor de biodiversiteit en voornamelijk de overgangen van bos naar open vegetatie. We hebben eigenlijk veel te weinig van die overgangen. Deze overgangen zijn juist het landschapstype waar die grote beesten zich thuis voelen. Dat geldt voor wilde hoefdieren, maar ook voor de mens. Je kunt hele einden op de Veluwe lopen en alleen maar heide als open vegetatie tegenkomen. Zulke plekken met open vegetatie, niet zozeer bestaande uit heide, moet je als mens maken. Dat ontstaat niet door méér dieren en niet door de inzet van grazers.

De gedachte om de Veluwe uit zijn ecologisch isolement te halen is nu ongeveer 15 jaar oud. Hiermee kun je kwetsbare gebieden (ecosystemen) diverser en groter maken en vooral bij grote landzoogdieren heb je verbindingen heel hard nodig.



Over het wild zwijn, als onderdeel van het ecologisch geheel...
Voor de volledigheid van ecosystemen waar het wilde zwijn voorkomt is het belangrijk dat het dier er is. Het wroetende gedrag onderscheid het van de andere hoefdieren. Ze voegen dynamiek toe aan de bodem van ecosystemen. In de zin van variatie in open plekken, diepte van die plekken en beiden daarmee ook ruimte aan andere organismen die daar weer afhankelijk van zijn. Dus zij voegen een enorme dynamiek toe en die heel belangrijk is voor een ecosysteem.

Voedsel reguleert dus de aantallen en veel voedsel betekent veel zwijnen en andersom. Het zou mij niet verbazen als je op de Veluwe binnen zeer korte termijn tot een evenwicht zou komen met daarbinnen pieken en dalen en waarin zwijnen absoluut niet beheerd hoeven te worden. Maar je moet het wel monitoren en de overlast in de gaten houden.

Wanneer er een goed mastjaar is (met veel voedsel) kunnen wilde zwijnen zich per jaar met 200 tot 300 % uitbreiden. In die piektijden kun je ook overlast voor het verkeer en de landbouw verwachten. Het is een groot verschil met edelherten die heel geleidelijk naar een evenwicht toe groeien. Echter, bij geen populatiebeheer sterven op een gegeven moment dieren door honger. Een groot aantal mensen vindt verhongerende beesten een fenomeen dat aangeeft dat de ethische grens (het aanvaarden van verhongerende dieren) hebt overschreden.



Over beleid...
In Nederland heeft men beleidsmatig alleen gezegd: wij willen proberen grote natuurgebieden met elkaar te verbinden. Dit is vastgelegd in de Nota Ruimte. Over een deel van de verbindingen wordt in de Nota gezegd dat edelherten er moeten kunnen migreren, maar nergens lees je over het wilde zwijn. De provincies voeren nu de regie in de uitvoering van de Flora- en Faunawet en zij bepalen uiteindelijk waar welke soorten voorkomen. Maar in het geval van het wilde zwijn voert de rijksoverheid feitelijk toch de regie. Daarnaast is de doelstelling van het beleid ook om in ieder geval de snelwegen volledig uit te rasteren voor wilde zwijnen, edelherten, reeën, dassen et cetera.

Er wordt altijd nadrukkelijk bij gezegd dat de ecologische verbindingen niet voor wilde zwijnen zijn bedoeld, omdat de relatie wilde zwijnen en landbouw complexer is dan de relatie edelherten en landbouw. Het beleid van de provincie en het Rijk is helemaal niet gericht op uitbreiding van het leefgebied van het wild zwijn. Het gaat alleen om het edelhert. Edelherten hebben een heel andere relatie met de landbouw, want het edelhert kan schade veroorzaken aan gewassen maar niet aan bijvoorbeeld de graszode.

Dat men enerzijds wenst de gebieden te vergroten en de ecosystemen completer te maken, terwijl anderzijds bij de eerste gelegenheid om dat daadwerkelijk ten uitvoer te brengen meteen al bij voorbaat het wilde zwijn van de lijst wordt afgevoerd. Deze soort staat zelf als eerste klaar om die nieuwe gebieden in te nemen, want hij duikt nu al overal op.

Ook over besmetting van ziekten heerst veel onrust. Maar de besmetting loopt als regel van de gehouden huisvarkens naar de wilde zwijnen, onder meer als gevolg van transporten. De ziekte kan bij een uitbraak overgebracht worden aan de huisvarkens. Je kunt dus niet als natuurbeschermer of faunabeheerder ontkennen dat de wilde zwijnen drager kunnen zijn en derhalve een risico vormen voor de huisvarkens.



Over populatiebeheer, jacht en schade...
De centrale vraag is: moeten we dit nu gaan beheren of niet? Moeten we de aantallen onder controle houden of laten we die aantallen los?

Het voorkómen van onnodig lijden is een wettelijk argument om over te gaan tot populatiebeheer (afschot). De ontheffingen en vergunningen om dieren te verjagen worden door de provincie bepaald. Daarnaast valt de economische schade in de landbouw op de Veluwe erg mee, omdat de meeste landbouwgebieden uitgerasterd zijn. Het Faunafonds houdt dit soort schade bij. Bij een schademelding komt een wildschade-commissie in actie. Er wordt bekeken of je als boer alles hebt gedaan wat van je verwacht wordt om de schade te beperken.

Als je met het populatiebeheer stopt dan weten we eigenlijk helemaal niet wat er gaat gebeuren. Er zijn nu veel klachten van niet de minsten onder de ecologen, die zeggen dat als gevolg van de jacht die sociaal georganiseerde groepen uitgedund worden. Wat ik belangrijker vind is, om te onderzoeken wat er gaat gebeuren als je niets meer zou doen op de Veluwe, maar ik realiseer me wel dat dit niet direct Veluwe-breed kan.

In een tien jaar durend onderzoek is aangetoond dat mast en het aantal zwijnen blijken afhankelijk van elkaar te zijn. Veel varkens maken de spoeling dun. Op basis daarvan hebben we een relatie becijferd tussen de hoeveelheid mast, vertaald in energieaanbod en de hoeveelheid zwijnen die daar van zouden kunnen leven, vertaald in energiebehoefte. Dat doe je niet op basis van één jaar, dat doe je op basis van tien jaar ervaring in je onderzoek en je praat altijd over gemiddelde waarden.

De mediane waarde (het middelste getal) waar het rond fluctueert voor de voorjaarsstand was ongeveer die 850-900 dieren voor de hele Veluwe. Met hele grote uitschieters naar boven tot 2.000 - 3.000 beesten in het voorjaar en hele grote uitschieters naar beneden tot bijna uitsterven toe. Wij denken dat het zo zal gaan in een natuurlijke situatie. Wij realiseren ons dat hoe nauwkeuriger je dat model kunt voeden, hoe beter de voorspellingen zullen zijn.

Het model wordt vaak negatief bekritiseerd of onjuist geïnterpreteerd. Daarvoor liggen twee dingen ten grondslag. Als eerste halen ze de zomerstand en voorjaarsstand door elkaar, want in de zomerstand zijn de biggen er bij en dat is een factor 2 of 3 meer. Vervolgens kijken ze slecht naar het model. Waar het model over 200 jaar hele grote fluctuaties aangeeft, kijkt men op een héél klein stukje tijdschaal daarvan (één of twee jaar) en zeggen dan dat het model helemaal mis is.

Als onderzoeksinstituut geef je adviezen maar maak je geen keuzes voor het beheer. De keuze voor 850 dieren heeft wel verdere consequenties. Zij is niet door ons gemaakt, maar door de beheerders en de politiek. Als je voor 850 kiest wil dat wel zeggen dat als je voortdurend de aanwas wegschiet er een groepje overblijft dat het in de regel qua voedselaanbod redelijk zal hebben. Dus ben je met bejaging voortdurend bezig om de populatie in een bepaald stadium van groei te houden. Je houdt dus kunstmatig de situatie in stand waarin je eigenlijk ieder jaar wel moet jagen.

Om in het voorjaar de populatie wilde zwijnen te bepalen wordt geteld. Op de Zuidoost-Veluwe gebeurt dat al met ongeveer 100 man. Dus over de hele Veluwe zit je zo over de 1.000 man die aan het tellen zijn. Bij de telling van de wilde zwijnen wordt weken voor de telling maïs gestrooid op de telplekken, wat vaak ook de afschotplekken zijn. Het tellen gebeurt redelijk standaard. Dubbeltellingen worden voorkomen door tijden en beweegrichtingen met elkaar vergeleken. In mei is er een indruk van het aantal wilde zwijnen en het blijkt elke keer dat de stand onderschat wordt. Daarna is het aan het faunabeheer te beurt om te bepalen hoeveel van wat moet worden geschoten. Hoe dat precies bepaald wordt, is mij niet bekend.

Onlangs nog is alles op een rijtje gezet aan wat er bekend is in de internationale literatuur over preventie in geval van aanrijdingen. Dan blijkt eigenlijk dat niets helpt, behalve het uitrasteren van (snel)wegen. Maar dan moet je de rasters wel goed op orde hebben. Het enige wat uit de literatuur naar voren komt, is de reductie van de snelheid. Het feit dat je in een groot natuurgebied rijdt waar dit soort beesten aanwezig zijn, heb je ook een morele plicht om het rustig aan te doen.

Je kunt bijvoorbeeld aanrijdingen ook zo bekijken, namelijk dat aanrijdingen vooral vervelend zijn voor het wild zwijn en minder voor mensen. Tenzij er sprake is van economische schade of erger, persoonlijk letsel. Omdat de rest al snel overlast is, is die ongelooflijk subjectief. Je kunt ook last hebben van hangjongeren of hangouderen of geluidsoverlast en in dit rijtje past naadloos het wild zwijn. Ik denk niet dat we dit moeten accepteren en dat we daar heel genuanceerd over moeten denken. Er wordt momenteel heel oneerbiedig met het wild zwijn omgegaan.