Artikel

2-Gedrag, voorkomen en conflicten


Het wild zwijn (Sus scrofa) in de lage landen: biografie, gedrag, voorkomen, beleid, beheer en discussie.




Door Ruud Lardinois

Dit artikel is op 08-05-2010 geplaatst.
Dit artikel is op 12-01-2011 bijgewerkt




Het wild zwijn (Sus scrofa), soms ook everzwijn genoemd, is de stamvader van al onze huisvarkens. Er zijn vele honderden huisvarkensrassen, waarvan er ook weer vele verdwenen zijn omdat de moderne mens bijvoorbeeld heel andere eisen stelt aan het vlees dan in vroeger tijden. Vooral de eertijds zeer gewilde vette varkens met veel vet en spek zijn volkomen uit de gratie geraakt ten faveure van vetarm vlees.

Aan de hand van archeologische vondsten is in Nederland vastgesteld dat de mens al tijdens zijn nomadisch bestaan - en dus in hoofdzaak levende van jacht en visserij - tenminste al sinds 7000 jaar geleden (Middensteentijd) hier de eerste gehouden zwijnen van jachtkamp naar jachtkamp met zich meevoerde. Dat waren inderdaad uit de natuur gevangen wilde zwijnen en zullen waarschijnlijk van oorsprong zeer jonge biggen zijn geweest omdat die zich eenvoudig op de mens laten socialiseren.



Domesticatie
Het proces van domesticatie van het wild zwijn vond wereldwijd tegelijkertijd op verscheidene plekken plaats. Er ontstonden door selectie vele honderden huisrassen die qua voorkomen in weinig gelijken op het huidige huiszwijn in de bio-industrie. Het is algemeen bekend, of zou dat moeten zijn, dat moderne land- en veeteeltmethoden leiden tot ongewoon sterke eenvormigheid en dus verarming en dat slechts enkele economisch industrieel te houden voorkeursrassen onder dat regime een bestaan vinden. Tot voor een eeuw waren er nog zoveel zwijnenrassen dat zich de meeste mensen deze trend naar eenvormigheid nauwelijks meer kunnen voorstellen: zij kennen nog maar slechts één zwijn. Dit zwijn wordt altijd met vriendelijk krulstaartje afgebeeld, welk lichaamsdeel men naast enkele andere echter bij de huidige huiszwijnen overbodig acht en derhalve al in de eerste levensdagen van het dier verwijderd.



Alleen het bos kon ons vee voeden
Sinds de eerste domesticatiepogingen in onze streken en tot rond de 19e eeuw, werden huisdieren als koeien en zwijnen vrijwel altijd half-vrij rondzwervend of gehoed in bossen gehouden. Dit gebruik om huisdieren als zwijnen en koeien in bossen te laten grazen was duizenden jaren lang algemeen gebruik en is in het huidige West-Europa vanwege meer industrieel opgezette landbouwsystemen sinds ongeveer midden 19e eeuw zo goed als verloren gegaan. Op functionele schaal is dit gebruik echter nog steeds in het ongeveer 250 kilometer westelijk van Londen gelegen New Forest te bewonderen. Zij het dat de laatste jaren de aldaar gehouden half-vrij levende huisvarkens sterk in aantal zijn teruggelopen omdat in economisch opzicht niet meer te concurreren valt met gehouden dieren in de bio-industrie. Vrij grazende paarden, koeien, ezels en enige huisvarkens zijn echter aldaar, naast de wilde diersoorten als damhert, edelhert, ree, das, en binnenkort waarschijnlijk weer het daar door overbejaging eerder uitgestorven wild zwijn, nog steeds op grootschalig landschappelijk niveau op indrukwekkende wijze te zien.



New Forest
Sommige delen van de New-Forest-bossen - het gebied is nu minder dan half zo groot als onze 100.000 ha grote Veluwe - tonen een landschapsbeeld zoals dat overal in Europa in de late Middeleeuwen algemeen was. Wie deze vorm van grondgebruik niet laat ontaarden in overgebruik of zelfs rooflandbouw zoals dat op grote delen op de hoge gronden in Nederland gebeurde, kan dit proces van landgebruik duizenden jaren volhouden. In ons land is dat helaas wel gebeurd en degradeerden de vegetaties en bodems soms zo sterk dat feitelijk sprake was van een totale ineenstorting van het natuurlijk ecosysteem. Het oorspronkelijke oerbos verviel van bosweide naar uiteindelijk een praktisch vegetatieloos landschap, waardoor op heel veel plekken verwoestijning optrad en de bodems na heidevorming in verstuiving raakten. Op een paar bosrestanten na was onder meer de Veluwe vrijwel boomloos. Bij helder weer verkreeg men aan één zijde zicht op de kerktoren van Harderwijk en aan de andere zijde die van Arnhem. In die fase was het op deze onttakelde landschappen nog nauwelijks mogelijk om er een redelijk bestaan uit te peuren. In Nederland is aan de hand van archeologische vondsten en historische documenten vastgesteld dat dergelijke ontluisterende woestijnvorming voor mensen tot onleefbare landschappen leidden en al rond de 12e eeuw bij Kootwijk mogelijk als eerste op de Veluwe is opgetreden. De leefbaarheid voor de mens verslechterde aanzienlijk, slechts enkele kleine keuterboertjes wisten te overleven. Op deze hoge zandgronden dus geen landgoederen, noch kastelen. Over de leefbaarheid van wilde planten en dieren op deze ontboste resten wordt weinig verhaald en zullen zeker evenmin florissant geweest zijn. Zeker de totale faunistische top verdween door uitputting en overbejaging. Ook het wild zwijn raakte er uitgestorven. Direct met de invoering van de kunstmest promoveerden deze gronden naar een economische status gelijk nul en ontstond het algemeen gebruik van de term ‘woeste gronden’. In deze fase, waarbij het plaggen- en schapensysteem ineenstortte, herstelde de natuur zich merkwaardig en bijzonder. Daarin profiteerden veel soorten, vooral vogelsoorten en planten. Bijzonder is de ontwikkeling van het korhoen dat doorgroeide tot onvoorstelbare aantallen van misschien rond 50.000 vogels. De populariteit van de kunstmest bereikte echter ook de woeste gronden en konden zo economisch gezien weer productief gemaakt worden. Ook de landgoederen als de Hoge Veluwe werden opgericht, de boertjes uitgekocht of tegen een vergoeding verdreven en er verrezen soms opmerkelijke gebouwen. Het wild zwijn keerde terug, aanvankelijk aangevoerd vanuit het buitenland als jachtwild in wildparken, maar ontsnapte exemplaren herbevolkten voortvarend verloren gegaan terrein.

Ook elders in Europa verliep dit proces van landgebruik gelijkaardig. Van totale ineenstorting door ontbossing en het in verstuiving raken was echter zelden sprake. In Duitsland bijvoorbeeld zijn ook nog enkele mooiste bossen, zoals Urwald Hasbruch, Borkener Paradies, Urwald Sababurg, en verder, overblijfsen van dit oude landgebruik. Het vee is er zoals gezegd op het New-Forest na, althans in functionele dichtheden en soortenvariatie, overal verdwenen. Wie nog kinderen of oudere mensen met een koe of varken een hele dag door de bossen wil zien trekken, zal wat verder moeten reizen. In Rusland is het in kleine dorpen achteraf nog wel dagelijkse praktijk en het moet gezegd dat het een wonderlijk fraai gezicht is als zeg tien of vijftien koeien aan het eind van de dag uit het landschap het dorp inwandelen en elke koe geheel uit eigener beweging zijns weegs richting eigen stal wandelt om er gemolken te worden en de nacht door te brengen. Huiszwijnen kunnen, omdat deze niet om de melk worden gehouden, ook maanden zonder begeleiding in de bossen verblijven. Alle tussenvormen werden in Europa gepraktiseerd: van het dagelijkse hoeden zoals het melkvee, tot vrij levende huisvarkens die ook in het bos paren en er hun jongen in zelf vervaardigde nesten krijgen en grootbrengen en slechts éénmaal per jaar bijeengedreven werden om er naar wens dieren uit te nemen voor de slacht, waarna de overigen weer terug het bos opzochten, enzovoort.

Als afsluiting van deze paragraaf is het vermeldenswaard dat huidige varkensrassen, zelfs die uit de bio-industrie, nog steeds wonderwel in staat blijken te zijn om zonder overgang van enige betekenis weer voor zichzelf te zorgen. Er zijn daar wetenschappelijke proeven mee gedaan, waaruit blijkt dat ze opmerkelijk snel, alsof er niets verloren is gegaan, gedrag en gewoonten hervatten die in beginsel niet afwijken van wat een wild zwijn in het dagelijkse bestaan onderneemt. Ze vinden op dezelfde wijze en even vaardig in de natuur hun voedsel, zijn attent en leergierig, reageren prompt en adequaat op veranderingen in het leefgebied, drachtige zeugen zonderen zich af van de groep en bouwen zorgvuldig een nest waar ze hun jongen werpen om zich vervolgens na een dag of tien weer met hun kroost bij de familie te voegen - ook wilde zwijnen leven in strikte familiebanden en mijden andere families. Al deze vaardigheden en bekwaamheden, en dus waarschijnlijk ook hun behoeften, komen voor zover dat de mens dat heeft kunnen waarnemen, meteen en zonder haperingen tot expressie als men de dieren in een bos in vrijheid stelt. Ook als het zwijnen betreft die voorheen jammerlijk verkeerden in de moderne martelkamers van de bio-industrie. Het voorgaande is in diverse wetenschappelijke experimenten vastgesteld. Vooral in Denemarken heeft men zich daarmee bezighouden. Voor de zich gemakkelijk invoelende lezer dezes mogelijk een onthutsende vaststelling, omdat het immers invoelbaar moet zijn hoe de dieren in de bio-industrie op afschuwelijke wijze in hun levensbehoeften beknot worden. Gelukkig duurt een huiszwijnenbestaan daar maar heel kort… Behalve uiterlijke verschillen is mij één ander merkwaardig verschil tussen wild en tam zwijn bekend. Bij het zogen drinken de zwakste zwijntjes altijd aan de voorkant bij het moederdier, de sterkere jongeren achter. Bij huiszwijnen is dat omgekeerd. Niemand weet waarom.


Verspreiding
Het natuurlijke verspreidingsgebied van het wild zwijn is groot en beslaat het Palearctisch-gebied, wat men zich kan voorstellen als geheel Europa, een deel van Noord-Afrika met o.a. de landen Marokko en Algerije en vervolgens alles wat daarvan in een rechte lijn ten oosten ligt tot en met het Aziatisch werelddeel:zie hiervoor het Palearctisch-gebied op Wikipedia, alwaar ook bijgaande afbeelding aan is ontleend.





Overzicht van de Palearctis. Bron: Wikipedia.





Begrensd worden de habitats slechts door gebieden met lange sneeuwrijke winters. In West-Europa reikt deze van nature tot vrijwel aan de Poolgrens. Het betreft daar in het hoge noorden een ondersoort (in totaal omvat het wild zwijn een zestien-tal ondersoorten) die aldaar een zwaarder lichaam heeft en een aangepaste ruige meer wollige vacht. Deze ondersoort is daar echter door bejaging, voor zover bekend, tot op één zeer kleine restpopulatie in het grensgebied tussen Zweden en Finland na verloren gegaan. Verder worden in het verspreidingsgebied vrijwel alle leefgebieden (habitats) bewoond, zij het dat het optimum ligt in bossen. Het wild zwijn is door zijn wigvormige lichaamsbouw en graasactiviteiten perfect op het leven in bossen ingesteld. Op de ene plek eet hij opslag weg en maakt zo bosverjonging mogelijk, op de andere ontstaat door zijn gewoel een plantbed, terwijl zandige zonnige plekken graag gezamenlijk gebruikt worden en zo kleinschalige habitats voor gladde slang, zandhagedis en dergelijke soorten ontstaan,vaak soorten die open zanderige plekken en op korte afstand ook veilige wegkruipplekken wensen.

De kennis van het natuurlijk verspreidingsgebied is nuttig voor het verkrijgen van een goed beeld van het gedrag en leefwijze van het wild zwijn. De soort is overigens ongekend populair bij jagers wat er toe heeft geleid dat het wild zwijn ten behoeve van de jacht ook in veel andere gebieden op de wereld is geïntroduceerd, waarmee nu feitelijk sprake is van wereldwijde verspreiding.

Het grote natuurlijke verspreidingsgebied is al een indicatie voor het feit dat het wild zwijn over een groot aanpassingsvermogen beschikt aan verscheidene habitattypen, zij het dat het optimum in beboste leefgebieden ligt, zijnde in de zomergroene loofwoudengordel in de gematigde streken. Niet alleen in hoger en droger gelegen bossen, maar vooral ook de vochtige beek- en rivierbegeleidende (ooi)bossen. Dat de soort in ons land uitsluitend op hogere gronden als de Veluwe voorkomt, is ecologisch onjuist. Ook de gebieden in het rivierengebied, alsmede de moerassen van de Oostvaardersplassen, de duinen, en in principe ook de Waddeneilanden, behoren tot de natuurlijke en oorspronkelijke leefgebieden. Naar het moderne natuurbeleid gerekend liefst het best zodanig dat al deze habitats weer als één, door corridors aaneengesloten, leefgebied kunnen gaan functioneren. De overheid heeft dan ook terecht een beleid ontwikkeld dat de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is gaan heten, waarbij rond 2020 alle belangrijke natuurgebieden onderling weer voor planten en dieren bereikbaar moeten zijn. Het blijkt echter dat beleidsmakers daarvan het wild zwijn van willen uitsluiten. Zo zijn er aanwijzingen dat men op de verschillende nog op te richten ecoducten, wildviaducten, onderdoorgangen en aan te leggen corridors, door rasters wil voorkomen dat ook wilde zwijnen daarvan gebruik gaan maken. Ecologisch gezien zou dit een ernstig gemis betekenen omdat het wild zwijn tot de zogenaamde sleutelsoorten gerekend kan worden. Dat wil zeggen dat hij door zijn leefwijze grote invloed op het landschap en de daarin levende overige soorten heeft die niet of beperkt bij andere daar van nature voorkomende soorten aangetroffen kan worden. Met andere woorden: bij het ontbreken van het wild zwijn verlopen natuurlijke processen anders. Met andere woorden: het ontbreken van het wild zwijn leidt in onze natuurgebieden tot verarming en verschraling van de biodiversiteit.



Nederland
Hoewel het wild zwijn van nature in heel Nederland voorkomt, raakte de soort er door overbejaging uitgestorven. Uit documenten valt af te leiden dat het laatste wild zwijn in 1826 is afgeschoten. Van de edelherten was om diezelfde reden, op mogelijk enkele exemplaren op de Zuidoost-Veluwe na, eveneens niets meer over. Omwille van de voortzetting van de jacht werden daarna naast het wild zwijn ook kangoeroes, edelherten, damherten, muntjakherten, sikaherten, moeflons en hier van nature niet voorkomende ruigpoothoendersoorten en boskippen (fazant) in het buitenland aangekocht en veelal in omrasterde Veluwse wildparken zoals onder meer op de Hoge Veluwe bij Otterlo en het Kroondomein bij Apeldoorn losgelaten. Op het moeflon na - deze soort is ook door de mens in het Wekeromsezand uitgezet - ontsnapten de daar gehouden dieren en vestigden zich op de hele Veluwe. Mogelijk dat het sikahert niet meer vrij op de Veluwe voorkomt, want meldingen zijn ons de laatste jaren niet meer ter ore gekomen. De soort is echter tussen de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw herhaaldelijk in het Deelerwoud bij Hoenderloo waargenomen. Overigens wordt uit vooral Engelse waarnemingen gemeld dat het sikahert - Engeland heeft met Duitsland de grootste in het wild levende sikahertpopulaties - dat het sikahert hybridiseert met het edelhert. Het damhert leefde eveneens lang in wildrasters. Eind vorige eeuw maakten de beheerders van het Deelerwoud en het Kroondomein haar voornemens bekend om het einde der tijden aan het damhert te verkondigen. Zij wensten de hele Veluwse populatie te willen afschieten. Dat bracht grote opschudding bij het publiek teweeg. Door Harm van de Veen en ondergetekende verscheen een studie die de onuitvoerbaarheid van dit voornemen aantoonde. En zo gebeurde het ook. Het afschot lijdde inderdaad niet tot het verdwijnen van de hele populatie. Integendeel, ten leste ontsnapten dieren uit hun benarde situatie en men gaf uiteindelijk de uitroeiing van het damhert op, waarmee de soort zich snel verder over de Veluwe verspreidde waar hij nu praktisch overal kan worden waargenomen.

In het huidige Nederland is het beleid er op gericht om het wild zwijn alleen op de Veluwe en in het Duits-Nederlands grensgebied de Meinweg toe te staan. Hoewel het wild zwijn vrijwel jaarlijks vanuit Duitse gebieden in al onze oostelijke grensprovincies toeloopt, is het beleid - het wild zwijn is een beschermde soort - er op gericht om deze toegelopen dieren zonder pardon af te schieten. Op moment van schrijven zijn op 2-11-2009 twee jagers van de Wild Beheer Eenheid (WBE) uit Lutte opgepakt voor stroperij op twee wilde zwijnen. We beschikken verder over door de provincie Drenthe in de zomer van 2009 ten oosten van Assen afgeschoten wilde zwijnen. Eerder al in 2007 werden door de provincie Limburg drijfjachten op wilde zwijnen bij Mook georganiseerd. Indien dit type afschot niet zou gebeuren mag worden verwacht dat het wild zwijn in relatief weinig jaren weer in alle Nederlandse natuurgebieden zal gaan voorkomen. Afschot alleen is niet altijd voldoende om te voorkomen dat dieren zich in verlaten gebieden hervestigen. In vooral voor menselijke jagers moeilijker toegankelijke gebieden weten wilde zwijnen zich op dit moment daarom te handhaven. Zo leven er nu bijvoorbeeld in de Grote Peel, in restanten van oude Peelgebieden bij Nederweert, in en rond het Weerterbos (inmiddels tot aan Eindhoven) en in de wetlands bij Nijmegen, grotere aantallen wilde zwijnen. Let op: het zijn vooral wetlands waar de soort zich kennelijk thuisvoelt en zich aan jagers weet te onttrekken. Elders in de oostelijke provincies betreft het doorgaans enkele of individueel zwervende dieren die ook daar regelmatig worden afgeschoten. De primaire productie, de totale groei aan voor wilde zwijnen eetbare en toegankelijke planten en dieren, is voldoende groot om wilde zwijnen in natuurgebieden in heel Nederland duurzame populaties te laten vormen. Ten slotte is eind vorig jaar (2010) voor het eerst een wild zwijn in de Oostvaardersplassen aangetroffen. Het dier is prompt, zonder enige ons bekende discussie, afgeschoten.



Aanpassingsvermogen
Zijn relatief groot verspreidingsgebied en groot aanpassingsvermogen aan verscheidene habitattypen, is al een aanwijzing voor een belangrijke natuurlijke ecologische rol en dus invloed op het ecosysteem. Inderdaad is vast te stellen dat door zijn gewroet, eetgedrag en sociale structuur, veel verscheidene niches in het ecosysteem ontstaan, waardoor andere planten- en diersoorten profiteren. Bijvoorbeeld wroetplekken zijn door zwijnen ontstane niches waar bepaalde andere plantensoorten alleen daar kunnen ontkiemen en zich voortplanten. Op dergelijke opengewerkte minerale bodems vinden ook soorten van stuifzanden leefruimte als onder meer zandbijen, graafwespen, zandhagedissen en gladde slang. Door zijn sociale structuur van in families opererende dieren is dit een substantiële natuurlijke component in ecosystemen die niet gemist kan worden omdat anders dynamiek en ecologische niches gaan ontbreken, waardoor andere planten en dieren de voorwaarden gaan missen voor een voortbestaan. Omdat het basisdieet van het wild zwijn plantaardig van oorsprong is, zal ook in de mest en in de vacht verblijvende zaden zich middels deze soort binnen het ecosysteem kunnen verplaatsen en zo nieuwe groeiplaatsen en leefgebieden in het ecosysteem kunnen bereiken. Dit mechanisme van vooral plantensoorten om zich door middel van vraat door wilde zwijnen te verplaatsen en elders te hervestigen is bijvoorbeeld in Nederlandse natuurgebieden helaas nog slechts beperkt of niet meer actief, waardoor vaak bijvoorbeeld typische aan bos gebonden soorten zich steeds moeilijker kunnen handhaven en daarom soms zelfs uitsterven. Samengevat is de dynamiek die het wild zwijn in natuurgebieden aanbrengt een onmisbaar natuurlijk element in onze ecosystemen. De betrekkelijk recente discussie over ‘te grote aantallen’ wilde zwijnen is daarom mede in dit licht te beoordelen hetgeen onvoldoende gebeurt.



Aantallen dieren
De toon in deze discussie wordt helaas sterk bepaald door de aanwezigheid en het gedrag van het wild zwijn die vooral in termen als ‘schadelijk’ worden beoordeeld in relatie tot menselijke activiteiten zoals wegen en bebouwingen in de vorm van campings, woningen en tuinen. De huidige voorkomende ‘gewenste’ aantallen wilde zwijnen in natuurgebieden worden daardoor niet of onvoldoende gewaardeerd en overwegend gedicteerd door de diverse vormen van ‘overlast’ buiten en soms zelfs nota bene in de natuurgebieden. Daarbij moet worden vastgesteld dat het wild zwijn slechts in beperkte aantallen in twee gebieden worden toegestaan - de Meinweg pal aan de Duits-Nederlandse grens is weliswaar Nederlands gebied maar ook volledig omrasterd. Op de Veluwe laten beleidsmakers zich tegenwoordig leiden door een gewenst aantal wilde zwijnen van 835 dieren. Ecologisch gezien is dit aantal belangrijk te laag waardoor de natuurlijke functies in de Veluwse natuurgebieden door het ontbreken van voldoende natuurlijke dynamische processen zoals boven reeds is geschetst, ernstig schade lijdt. Afgaande op de ecologie van de soort en de mogelijke ecologische interacties, dus meer natuurlijke populatiedichtheden op de bijna 100.000 ha grote Veluwe met hoofdfunctie natuur, ligt deze echter eerder dichter bij de tienduizend dieren dan bij duizend. Door het veelal zeer onvolledige herbivorenspectrum aldaar ligt dit aantal mogelijk zelfs nòg hoger. De huidige Veluwe is echter nog steeds een ongewoon onvolledig ecosysteem, een aspect dat zeker in de ‘wilde zwijnen-discussie’ meer aandacht verdient.

Overigens is er een opvallend vergelijk mogelijk tussen de beide officieel toegestane Nederlandse leefgebieden. De 1600 ha grote Meinweg bevat nu een redelijk geachte populatie van ongeveer 150 dieren (in 2002 overigens 360 dieren volgens een brief met antwoorden op Kamervragen van minister Veerman). De Veluwe daarentegen is 96600 ha groot. Indien we de populatiegrootte van 150 dieren van de Meinweg naar de Veluwe omrekenen, dan zouden er daar volgens de ‘Meinweg-norm’ 9660 wilde zwijnen mogen leven. Nu geld op de Veluwe echter een streefpopulatie van slechts 835 dieren, waarmee duidelijk wordt hoe het beheer van deze natuurgebieden politiek wordt bepaald en niet natuur- ecologisch. Overigens was volgens minister Veerman op de gestelde Kamervragen de voorjaarsstand aan wilde zwijnen in de Meinweg “van 500 (voorjaarsstand) in een afgerasterd gebied en geïsoleerd van andere wilde varkens in Nederland en het buitenland.

Opmerkelijk is dat natuurbeheerders van Veluwse natuurgebieden kennelijk ontvankelijk zijn om politiek bepaalde beleidsnormen te laten prevaleren boven ecologisch bij het onder hun hoede gegeven natuurgebieden, waaronder nota bene enkele nationale parken. Volgens de mondiaal aanvaarde IUCN-kwalificaties zijn nationale parken natuurgebieden waarbij wilde planten en dieren zich qua gedrag, levensfuncties en levensfasen, vrij en dus niet door de mens bepaald, dienen te kunnen ontwikkelen, waarbij alle natuurlijke levensfasen en gedragsontwikkelingen zich zodanig ongestoord moeten kunnen afwikkelen dat zodoende in die refugia tevens evolutionaire processen werkzaam kunnen zijn. Nu is dat nergens op de Veluwe het geval, óók niet in de twee nationale parken.



Natuur of nog meer verstening?
Niet ontkent mag echter worden dat de mens tegenwoordig inderdaad een fors beslag legt op de Veluwe. De Randstad heeft reeds Veenendaal en Ede bereikt en zonder overdrijving kan worden vastgesteld dat het Roergebied tegenwoordig aanzienlijk landelijker en gevarieerder is dan de Veluwe. Dat Nederland het dichtstbevolkte en vervuilendste deel van Europa vertegenwoordigd, is genoegzaam bekend. Merkwaardig is echter dat de Randstad in vergelijk met de drie grootste Europese hoofdsteden het dunstbevolkt is. Waarmee de ongedefinieerde brijige soep van golfplatenarchitectuur zich almaar verder uitsmeert over het land. Tot de grootste blunders van de laatste eeuw behoort de aanleg van de zogenaamde ‘Rijkswegen” A1, A28 en A50, die de Veluwe als natuurgebied en als toeristisch oord onherstelbaar hebben beschadigd. Die treurige verstening moet gewoon ongedaan gemaakt worden. Het huidige Veluwe-toerisme is mede door die blunders van relatief laagwaardig niveau. Als de recreant ontdekt dat hij met een uurtje doorrijden voor de helft van de kosten meer rust en echte natuur vind, zou dat wel eens ernstiger economische consequenties voor de Veluwe kunnen hebben. Nu nog strijken bewoners van de Elvis Presleylaan en het Bill Haleyplein op de Veluwe neer. Het is nog maar de vraag of de bezoeker de nieuwste ontwikkelingen naar nog meer nepnatuur en fietsbeton kan bekoren.



Het kan beter
Voor een meer duurzame samenleving tussen mens en natuur zou het New Forest-model mogelijk een uitweg kunnen bieden, waarbij als het gaat om het wild zwijn en andere grotere soorten minder het jachtgeweer maar meer de natuurlijke processen een hoofdrol van beleid/beheer kunnen gaan vormen. Het New Forest-model kan voor de Veluwe een redelijk compromis zijn voor een sterk verminderd aantal ongewenste conflicten tussen dieren als zwijnen en mensen, terwijl anderzijds de ruimte voor natuurlijke processen in die natuurgebieden kan toenemen.



Draagkracht
De functie van de draagkracht van een gebied is de laatste jaren vaak deel van de discussie rond de wilde zwijnen bij beleidsmakers en beheerders. Helaas zelden in de lijn van de natuurlijke draagkracht, maar veelal in termen van ‘te veel dieren’, waarbij vaak een directe link gelegd wordt met probleemgevallen: meer dieren zijn dus verantwoordelijk voor meer conflictgevallen.

Conflicten tussen zwijnen en mensen zijn niet nieuw. Wél dat de probleemgevallen meer en beter worden gemeld en bijgehouden. Bij nadere analyse van dit fenomeen krijgen wij de indruk dat er feitelijk slechts een geringe stijging van het aantal conflicten is. Die lijken ons echter vooral toe te schrijven aan de hogere gebruiksdichtheid, zijnde bebouwingen, verkeer, enzovoort, en slechts weinig door de telkens opgeworpen stijging van het aantal wilde zwijnen. De aantallen zijn inderdaad gestegen, maar minder dan wordt verondersteld. Namelijk door de langere groeiseizoenen en door de nog steeds veel te hoge stikstofdeposities (de hoeveelheid antropogene stikstof die aan de atmosfeer wordt onttrokken en in het milieu gebracht, met als hoofdschuldige de landbouw, waardoor de primaire productie al gauw een factor vier keer te hoog is.

In „De Veluwe Natuurlijk!” dat in 1991 is gepubliceerd, is toen al door de auteurs aangegeven dat het aantal wilde zwijnen op de Veluwe aanzienlijk boven het getelde/gewenste aantal dieren lag, namelijk minstens 3500 dieren, maar mogelijk zelfs 5000. Dit cijfer komt al dicht in de buurt van de huidige aannamen van rond 6000 verblijvende dieren op de Veluwe. Indien beide aannamen ongeveer juist zijn - de auteur dezes neemt aan dat beide aannamen ongeveer juist zijn - dan kan het aantal gemelde toegenomen conflicten niet verklaard worden uit dit aangenomen hoge aantal van 6000 dieren op de Veluwe verblijvende dieren.

Los van de aanname dat naar de mening van de auteur het tellen van vrij levende wilde zwijnen niet goed mogelijk is en dat dus de aangevoerde cijfers geen nauwkeurig beeld van de populatiegrootte geeft. De kwaliteit van de tellingen lopen verder zeer sterk terug bij jacht, omdat het wild zwijn daarop scherp reageert en bij aanvang van de jacht van de ene op de andere dag ontwijkend gedrag gaat vertonen. De jacht was afgelopen maanden zelfs zo intensief dat door de voortdurende vervolgingen door jagers de meeste dieren volgens onze waarnemingen zich niet meer bij daglicht laten zien en soms nota bene de natuurgebieden blijken te hebben verlaten. Tegelijkertijd zijn er plekken aan de randen waar wilde zwijnen zich gewoon bij daglicht frank en vrij laten zien en gaan foerageren terwijl ze daarbinnen ogenblikkelijk zouden worden neergeknald. Het wild zwijn is wereldkampioen anticiperen op levensbedreigende en ongevaarlijke omstandigheden.



Wild zwijn op maïsakker. In het New Forest-model zijn terreineigenaren zelf verantwoordelijk voor hun terreinen. Een wild zwijn, edelhert of welk ander wild dier dan ook is het niet kwalijk te nemen dat hij snoept van akkerproducten. Zware rasters zijn voor het weren van wilde zwijnen niet nodig, een drielaags stroomraster voldoet. Dat kost geld, maar hoort bij een normale bedrijfsvoering. Wilde zwijnen horen bij de Nederlandse natuur. Het beheer van die natuurgebieden dient naar onze mening afgestemd te zijn op de natuurgebieden zelf en de planten en dieren daarin en met het oog op het behoud en ontwikkeling van de aan die groeiplaats gebonden biodiversiteit, en dus niet op de akkers van boer Bintje.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer






Meer conflictmeldingen dus ook meer zwijnen en daarom meer conflicten?
Eigenlijk is met de voorgaande paragraaf de kwestie van ‘te veel dieren’ en ‘te veel conflicten’ al afdoende bestreden. Maar er is meer. De stroom conflictmeldingen komt letterlijk en figuurlijk uit één hoek. Alleen de Noord-Veluwe meld een haast onophoudelijke stroom conflicten. Steeds meer aanrijdingen, omgewoelde tuinen bij particulieren, op campings en landbouwgronden, wilde zwijnen die aan mensen eten, wilde zwijnen die langs snelwegen wandelen. Hoezo te veel wilde zwijnen, terwijl we al op onze eerste wandeling op een nooit eerder bezochte plek al op de eerste honderd meter langs de A28 een volkomen inferieur snelwegraster aantroffen, waar dieren zich stelselmatig op meerdere plekken blijken zich onderdoor te wurmen? Aan de andere zijde van de rijksweg van hetzelfde beeld. Op één punt langs deze rijksweg troffen we het volgende aan: op hemelsbreed van de snelweg, op een meter of honderd in het bos, een complete jachtinrichting met hoogzit, liksteen en voederautomaat. Op hetzelfde punt maar aan de andere zijde van de snelweg een bekend ‘natuurgebied’ van een natuurbeherende instantie. Aan beide zijden van de snelweg rasters met onderdoorgangen van zich onder de rasters doorwurmende dieren… Gekker kunnen we het niet maken. In dit licht herinneren wij een eerder ‘onderzoek’ op initiatief van de provincie uitgevoerd dat na het rondzingen over geruchten van wildvoederingen door jagers in de media zou hebben aangetoond dat juist niet ongewoon op wilde zwijnen wordt gevoerd. Wie door terrein wandelt ziet op de Veluwe honderden voederplekken bij jachtinrichtingen van diverse aard en grootte.



Niet ingegraven snelwegraster ter hoogte van Petrea. Duidelijk is links van de hand de onderdoorgang te zien die dieren hebben gemaakt door er onderdoor te kruipen. Dit raster is zeer duur, want hoog en zeer lang, maar volkomen nutteloos. Weggegooid gemeenschapsgeld. Ongeïnteresseerd handelen.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer







Complete Jachtinrichting pal langs de snelweg ter hoogte van Petrea: ‘rustgebied’, voederbakken, liksteen, gegraven poeltje, maïs op de bosgrond, deze voederautomaat en hoogzit, op minder dan honderd meter hemelsbreed van de snelweg, daar de onderdoorgangen, aan de overkant onderdoorgangen, en daarachter weer jacht, rustgebieden, jachtinrichtingen, enzovoort.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer






Waarom zijn er zoveel conflictmeldingen op de Noord-Veluwe en blijven die op de Zuid-Veluwe uit? Een ander soort wild zwijn (Sus scrofa problematica)? De conclusie is onontkoombaar: niet het wild zwijn dient te worden gemodificeerd, het beheer en het beleid is het probleem en schiet te kort. Er wordt voorts met gegevens gemanipuleerd om belangen veilig te stellen. Soms is er zelfs sprake van stemmingmakerij zoals een artikel in het Nederlands Dagblad (08-01-2008) waar de wethouder van ChristenUnie Nico Schipper in Nunspeet jammert in termen van “wilde zwijnen gaan nog mensenlevens kosten”. Nog dwingender, waarom is de verhevigde jacht die het karakter heeft aangenomen van een vervolging ook uitgevoerd op de Zuid-Veluwe waar zich géén bijzondere problemen hebben voorgedaan? De beheerders die voor ons de natuurgebieden beheren conformeren zich aan dat beleid en schieten ook af op plekken waar dat omwille van de problemen helemaal niet nodig is. Zonder directe reden is men ook daar in natuurgebieden op grote schaal op wilde zwijnen gaan schieten. Zelfs de overigens zichzelf aangemeten status van een nationaalpark bleek geen rem op deze vervolging. Er is in enkele maanden eigen veldonderzoek op de Zuid-Veluwe bepaald wat daar is gebeurd. Er zijn daar een dertigtal bezoeken afgelegd, uitsluitend op goed bekende plekken om een referentie te hebben met eerdere situaties. Voorts zijn die bezoeken uitsluitend gedaan op de zeer vroege en late uren van de dag, omdat die uren doorgaans de beste kansen biedt op het waarnemen van de dieren en het zien van hun sporen. Ten slotte zijn ook een aantal overnachtingen in het terrein gemaakt omdat al snel bleek dat enkele voorheen door zwijnen goed bewoonde plekken opeens nagenoeg wild zwijn-vrij leken te zijn.



Huidig beeld
Het algemene beeld is dat door de sterke intensivering van de jacht waarschijnlijk nauwelijks nog rond tien procent van de gemiddelde oorspronkelijke populaties van de laatste twintig jaar aanwezig zijn. Op geen enkele plek op de hele Veluwe waar wij onderzoek hebben gedaan is geen enkele sociale coherente groep wilde zwijnen meer aangetroffen. Alle waarnemingen betroffen op één uitzondering na, uitsluitend individuele dieren. Een hoogst ongewoon verschijnsel voor een sterk sociaal georganiseerd dier als het wild zwijn. De enige uitzondering van een grotere groep was een stel van drie volwassen zwijnen die al in het pikkedonker vóór zonsopgang in dekking gingen. De nu nog op de Veluwe overgebleven zwijnen hebben door de permanente onrust door jacht sterk de neiging de natuurgebieden te verlaten om naar de randen bij menselijke bebouwingen te trekken waar immers geen structurele jachten kunnen plaatsvinden.



Ons beeld van de natuur en het wild zwijn
Natuur is er altijd en zal er ook altijd zijn. Gelukkig maar, onze wereld zou er anders onleefbaar door worden. Planten en dieren, schimmels en bacteriën, zij allen maken en onderhouden deze onmisbare natuur. Het is de Mens (Homo sapiens) (Latijn: verstandige of wijze mens) die er met zijn vele niet zelden grootschalige activiteiten een enorm stempel op drukt. Zo zijn veruit de meeste wetenschappers op deze aarde van mening dat zelfs het klimaat al door deze diersoort wordt gewijzigd (bijna zeven miljard mensen bevolken de aarde inmiddels). Dat is geen kattenpis.

Maar ook op onderdelen, dicht bij huis en voor een ieder die zijn ogen en oren niet in zijn zak heeft zitten, ziet dat hij, de mens, veruit bepalend is voor het voorkomen, levensloop en levensduur van een diersoort. Neem het wild zwijn, waar nu zoveel over te doen is. Op dit niveau is hij, de mens, vrijwel allesoverheersend. Met andere woorden: zonder hem zou heel Nederland zijn voorzien met bossen, venen, meanderende rivieren, duinen en wadden. Nederland zou voor tweederde zijn bedekt met hoogvenen. Dus integendeel, helemaal niet woest en ledig, maar paradijselijk groen en uiterst gevarieerd aan levensvormen. De mens heeft óók recht op een plek. Dat is waar, maar het wild zwijn wordt daarin kennelijk slechts getolereerd zolang Homo sapiens er maar niet door gehinderd wordt. Het zwijn blijkt dan zonder pardon het raam uitgeknikkerd te worden. Heel veel soorten hebben al eerder door zijn toedoen het veld moeten ruimen. De mens heerst en verdeeld, óók als hij in de gedaante van Natuurmonumenten, Het Gelders Landschap of Staatsbosbeheer verschijnt.

Als hij al zo heerst en verdeeld, dan is de sleutel van de staat van de natuur en het milieu ook vooral bij hem te vinden? Hoe kijken wij naar natuur? De actuele staat der natuur is inderdaad een perfecte afspiegeling van ons beleid en beheer, van onze voorkeuren en wensen, van onze angsten en vrezen, ja zelfs van onze kijk van alledag en dus ons beeld en perspectief op onze natuurlijke omgeving. Met andere woorden: de staat onzer natuur is een perfecte afspiegeling van ons natuurbeeld, een natuurbeeld helaas mede bepaald door de waan van de dag.

Dit natuurbeeld blijkt beslissend voor onze omgang met wilde dieren, de vorming van ‘natuurlijke’ landschappen, en ja, al meteen valt op dat wij ons op drijfzand bevinden, ons perspectief op dit alles is tot overmaat van ramp immers ook aan veranderende modetrends onderhevig. Wat gisteren nog waardeloos was, kan vandaag als belangwekkende natuur te boek staan en andersom. Het kan verkeren. Wat nog maar decennia geleden ‘woeste gronden’ werden genoemd, om het waardeloze en onnutte van die gronden te karakteriseren, worden nu als belangrijke onmisbare natuur gekwalificeerd, voor zover dergelijke gebieden nog zijn overgeleverd. Want voor zover die plekken niet zijn bebouwd zijn ze massaal ontgonnen of met bomen beplant - de Heidemij en Staatsbosbeheer zijn er uit voortgekomen). Natuurlijk met een economisch interessant boomsoortenassortiment waarvoor een afzetmarkt is. Deze eenzijdige ‘bossen’ brengen maar een handjevol natuurlijke soorten voort. Toen als waardevol neergezet op wat als onnutte rommel werd beschouw en beide zijn nu precies omgedraaid. Wat in die treurbosaanplanten verloren ging is nu belangwekkende natuur. Daarom worden die bossen nu soms weer gezien als een last en aangegrepen om te worden gekapt om er andere ‘natuur’ van te maken - heidevelden en stuifzanden liggen heden weer lekker in het circuit.

Om de netelige positie waarin wij ons gemanoeuvreerd hebben te schetsen een wellicht wat vergezocht voorbeeld. Een citaat uit een fototijdschrift waar in een speciale uitgave een fotoprijs wordt voorgesteld en gemotiveerd van afstuderende fotografiestudenten. “Nergens anders houden wij onszelf zo voor de gek als in de dierentuin. De plek waar wij heen gaan voor de wilde dieren, toont ons het tegenovergestelde. Dieren, verre van wild, teruggebracht tot een karikatuur van zichzelf. Glazig voor zich uit starend, of dwangmatig hetzelfde kleine rondje lopend tussen de plastic planten die een natuurlijk habitat moeten suggereren. Als we die überhaupt te zien krijgen, want geregeld zijn er hokken waarin zelfs na een tijd niets te ontdekken valt. Wat we bekijken is een suggestie van natuur waarvan we doen alsof het echt is. Uiteindelijk zegt de dierentuin vooral iets over onszelf. Het hok van de Indische neushoorn is metaforisch voor de mate waarin we vervreemd zijn van onze eigen natuur en oorsprong.” Tot zover het citaat. Nu terug naar de werkelijkheid van alledag, onze kijk op natuur, de natuurbescherming, in het bijzonder het wild zwijn, die van slachtoffer tot dader is gepromoveerd.



Veranderingen van planten en dieren door menselijk beheer: onverwachte apotheose op de Veluwe
Op een van onze onderzoekstochten voltrok zich een uitzonderlijk voorval dat op deze plaats niet onvermeld kan blijven. Zo ontdekten we na een tip een dood edelhert. Het dier beek te zijn onthoofd. De kop was er van afgezaagd en onvindbaar. Door de relatieve hoge buitentemperaturen en het open vlees was al een massale inval van aasetende insecten opgetreden. De plek waar het lichaam lag verbaasde ons omdat het niet op de gebruikelijk jachtplekken lag die normaal in rustgebieden liggen. Op het moment van de ontdekking rezen er vele vragen. Stroperij leek onwaarschijnlijk. De daarbij te verwachten sporen ontbraken, terwijl de plek daarvoor ook ongunstig was omdat een hoog wildkerend raster een relatief snelle aftocht ernstig zou bemoeilijken. Wat was hier gebeurd? We besloten dat te onderzoeken. De oplossing zou vijf dagen gaan kosten, voornamelijk de uren rond zonsopgang en -ondergang wanneer dit soort praktijken zich normaal afspelen. Al snel ontdekten we op hemelsbreed misschien 300 meter verder op een geraffineerd verborgen plek op een half open heideterrein in een delletje, een flinke partij oude botten. Voor zover we konden vaststellen afkomstig van damhert, edelhert en wild zwijn, jonge en oudere dieren. Het herinnerde onmiddellijk aan de droevig stemmende plekken in het Planken Wambuis, de Imbos bij Terlet met zijn kraaienvangkooien (tegenwoordig verboden), die bedoeld waren om zoveel mogelijk kraaien om het leven te brengen en niet te vergeten het Deelerwoud, waar je hele worpen doodgeschoten biggetjes kon aantreffen. Ja, kapotgeschoten, want van die lichaampjes blijft weinig fraais over als er een kogel doorheen is gegaan. Het moeten duizenden dieren zijn geweest die zo door de jaren heen over de kling zijn gejaagd. Dieren, waarvan je naïef dacht dat deze plekken juist zijn bedoeld om ze in een wereld van beton en asfalt een beschermde plek te bieden. Het waren deze soms enorme knekelvelden die onvermijdelijk weer op je netvlies verschenen bij het zien van dit bescheiden maar droevig stemmend grafveld. De mensen die dergelijke zaken aanrichten staan heel anders in deze wereld, zoals blijkt het het vervolg van ons verslag.



Dooie zwijnen voor recreatieve doeleinden
Op de vijfde dag, zeer vroeg in de ochtend, was het raak. Vanuit onze positie was het heideveldje en delletje niet in alle details zichtbaar. Een qua kleur, type en logo herkenbare auto kwam over de heide aangereden. De bestuurder stapte uit en liep naar de laadbak, een toegelopen maar niet herkenbare persoon hielp bij het uitladen van een dier. Het dode lichaam viel op de grond en werd met z’n tweeën verder versleept, beiden verdwenen uit zicht. Even later stapte de bestuurder weer in, startte de auto en reed weg. We besloten om zo omzichtig mogelijk verder richting de plek te sluipen. Via een ruime omtrekkende beweging en misschien een uur of wat later (in de spanning van wat komen ging verlies je snel een goede notie van tijd…) kwamen we in de buurt van het knekelveld. Opeens hoorden we gekraak van brekende takjes; nog stiller en nog langzamer schoven we verder op naar de plek. Opeens verscheurde het geluid van een lange ritssluiting de stilte… Ritssluiting? Nog langzamer, nog omzichtiger. Opeens ontwaarden we tussen de dennetjes door een wild zwijn! Verdraait dat komt slecht uit. Als die ons opmerkt en aan de haal gaat zijn we erbij…! Hij stond rechtop, keek fier rechtuit naar de bosrand en de oren met de haartjes staken ragfijn af tegen de lucht. Hoe kan dat beest hier opeens staan? Stokstijf hielden we de adem in en wachtten af, de wind was gunstig, het dier kon ons gelukkig niet ruiken…. Dat duurde, af en toe gluurden we vanachter de dekking van de jonge vliegdennetjes, maar het wild zwijn bleef staan zekeren. Verdraait, het zwijn lijkt wel een standbeeld. Maar wilde zijnen gedragen zich nooit als standbeelden, drong het van verbazing tot ons door. Dit móest het morsdode niet-levende wilde zwijn zijn!!! Hoe? Waarom? Wie? Natuurmonumenten onderdeel van een complot? Hier lagen de antwoorden op onze brandende vragen en opgewonden trokken we omzichtig verder. Natuurlijk gingen we verder. Maar wat en wie zouden we daar aantreffen? Wie? Wat gebeurt daar eigenlijk? Onze hersens maalden op volle toeren; wie? Na zowat 35 jaar Veluwe, hoe we ook peinsden, er paste maar één gezicht bij. Die ogen, de wilskracht, de haast verbeten maar niet onsympathieke blik die recht op zijn doel wil afstevenen, zijn doel inkadert en niet meer los laat… Ja die kon, nee, moest het zijn. Hij zou het zijn! Ik ontmoette hem éénmaal, misschien een uurtje, een paar maanden geleden nog. Die ogen… Hij móest het zijn. Het wild zwijn keek nog steeds met ongewijzigde blik naar het noordoosten alsof hij elk moment op de vlucht zou kunnen slaan. Langzaam schoven mijn inmiddels bijna verstarde voeten opnieuw zo stil mogelijk verder naar de plek. Hoppa: een schuiltent! De ritssluiting! Ha, de brekende takjes in de grond ervoor. Spannend. Weer kijken. De tent op nog slechts een paar meter, gestommel en gekreun daarbinnen. Op één meter. Het dode zwijn keer fier met ons mee naar wat er komen zou: hìj had alle tijd. Ik riep met verheven stem: “goede morgen”: opschudding in de tent, het ding leek wel om te vallen, de rits die zich opende, en die ogen! Harm van de Veen (???!) riep hij: Ronald, riep ik. Ik wist ‘t, riep ik, ik wist ‘t, ik wist ‘t...

Na een gezellig praatje en uitvoerig het levende dode wild zwijn te hebben bewonderd, viel ik zowat van mijn virtuele stoel. Ronald was totaal overdonderd. Maar dat verklaarde niet waarom hij na het zwijn door Natuurmonumenten aangeleverd te hebben gekregen en te hebben geprepareerd als ‘natuurlijk’ fotomodel, zijn graafgereedschap in de hei had laten liggen. Dan kun je wel erg lang verstopt in een tentje blijven zitten. Was hij opgewonden dat hij Natuurmonumenten zo ver had gekregen? Het was een chomekleurige schop, eentje zoals de Engelsen graag in hun treurtuintjes gebruiken. Het ding glom ons tegemoet en zou zonder twijfel op Google Earth te herkennen zijn geweest: vergeten naar binnen het schuiltentje te halen…. De raven die op het zwijn als model gefotografeerd hadden moeten worden zouden zich ook zonder de in de hei achtergelaten RVS-schop zeker niet hebben laten zien. Hu, raven en een dood zwijn? Maarruhhh, hoe zal ik het zeggen, raven gaan toch niet zómaar op een dood zwijn…? Mijn hemel, een historisch Micky Mouse uit de vijftiger jaren leert ons al dat raven nooit, nee nooit, zelf op een wild zwijn, of wath ever welk groot dood beest, gaan zitten inhakken? De heer R.S. had hier een hele maand in zijn tentje kunnen terugtrekken, zelfs als hij zijn fleurige schop netjes onder zijn slaapmatje in de tent had opgeborgen, dan zou hij zeker niets noemenswaardigs hebben kunnen waarnemen. Geniaal, geniaal, we kunnen niet anders zeggen, van Natuurmonumenten en de heer R.S… Beiden hebben dus nog nooit een Walt Disney-film gezien. De antwoorden op onze vragen rond dit gearrangeerde grafveld, in een zelfbenoemd nationaalpark, waar het om het leven brengen van grote dieren alledaagse praktijk is, kostte vijf dagen. We hadden deze nooit willen missen. Vooral omdat het treffend karakteriseert hoe gemakkelijk mensen soms dieren als instrument van hun handelen zien. Daarom is dit verslag op deze plek gerechtvaardigd. Terug naar het rijk der levende zwijnen.



Naast draagkracht is er benutting
Naast de verlenging van de groeiseizoenen, die de dieren meer voedsel opleveren, zien we ook overal in natuurgebieden verruiging optreden. Dit wordt veroorzaakt door een forse accumulatie van externe voedingsstoffen als fosfaten, stikstof en dergelijke, waardoor de bodems sterk vervuild zijn geraakt. De toevloed aan vermestende groeistoffen als stikstof en fosfaten laat planten en dus ook sommige plantenetende dieren snel toenemen. Vooral grote grazers profiteren en de aantallen kunnen daardoor toenemen. Planten groeien sneller, maar de krachtige groeiers beconcurreren de aan schrale omstandigheden aangepaste soorten wat tot soortenverarming leidt. Vooral schrale vegetatietypen als heiden, blauwgraslanden, enzovoort verruigen, bramen en brandnetel rukken overal op. De oorzaak is duidelijk, het antwoord daarop ook. Hoewel er al veel is gedaan aan de bestrijding van de luchtvervuiling is het te weinig. In de natuur zien we er nog weinig van terug. Het spectrum plantensoorten neemt af en ook bijvoorbeeld de hoeveelheid paddenstoelen is nog geen schim van enkele decennia geleden.



Naar een nieuwe visie
Maar dit aspect van teloorgang is nog slechts een deel van de feiten. Nog steeds is het gezelschap plantenetende dieren op de Veluwe ongewoon onvolledig. Sinds aan het eind van de 19e eeuw de landschappen zich herstelden van de eeuwen roofbouw daarvoor, zijn deze zich gaan herstellen zonder de aanwezigheid van een redelijk compleet herbivorenspectrum, waardoor het ecosysteem Veluwe productiever werd maar feitelijk de soortsdiversiteit steeds verder verarmde. Er zijn meer factoren die in die verarming een rol spelen maar op deze plaats is vermelding van twee hoofdoorzaken van belang. Er zijn weliswaar sinds 1982 op initiatief van Stichting Kritisch Bosbeheer Schotse Hooglanders op de Veluwe geïntroduceerd als een vorm van natuurlijke begrazing, maar sindsdien heeft er ecologisch gezien vrijwel geen evolutie in plaatsgevonden. De beste populatie op de Veluwezoom is zelfs éénmaal nota bene met enkele honderden dieren teruggebracht. De dieren werden van oormerken voorzien en elders in het land ondergebracht of misschien wel in de handel gebracht. Hier is van belang op te merken dat de Veluwe hard toe is aan meer natuurlijke grazers. Dit is een ernstig te nemen argument om ook het wild zwijn zo lang mogelijk in het systeem te houden en in functionele aantallen! Meer grazers en meer soorten grazers zal de sterke toename van een andere grazer, het wild zwijn, in zijn groeimogelijkheden kunnen beperken, terwijl er een soortenrijkere vegetatieontwikkeling er flink door zal toenemen. Jammer dat men destijds door gebrek aan visie en moed het plan met de wisenten op het laatste moment niet ten uitvoer wilde brengen en Harm van der Veen noodgedwongen moest overschakelen op Hooglanders. Nu de recent in de duinen ingebrachte wisenten uitstekend blijken te voldoen is het tijd om ook op de Veluwe snel het uiterst minimale herbivorenspectrum te completeren. Het moet duidelijk meer en beter en vooral weg met die rasters! Binnen de Nederlandse omstandigheden biedt het New-Forest-model voor de Veluwe kansrijke perspectieven. Het kan met veel minder middelen worden uitgevoerd dan het huidige dure en zwalkende beheer omdat dan intern beheer heel beperkt nodig zal blijken te zijn, de conflicten op wegen en dergelijke zullen meer beheersbaar zijn, terwijl eindelijk de Veluwe een fatsoenlijke natuurlijke ontwikkeling kan gaan doormaken. Ook de aantrekkelijkheid voor de natuurgerichte recreant zal er zeker met sprongen op vooruit gaan.