Artikel

Bevolkingsdruk en voetafdrukken



De wereldbevolking èn de Mondiale Voetafdrukken zijn gevaarlijk groot.

Bij onze eigen gezinsplanning in de jaren 70 (we hebben twee dochters van 30 en 33) speelde al de discussie van de dreigende overbevolking wereldwijd. Het is voor mij dan ook een groot raadsel waarom de bevolkingsgroei nog zo weinig aandacht krijgt en dat er zelfs landen zijn die meer geboorten stimuleren. De snelle groei van de wereldbevolking in combinatie met de nog snellere groei van de mondiale consumptie, maakt dat we de wereld aan het uitwonen zijn. Want naast de klimaatverandering staan er meer seinen op rood. De aarde blijkt voor ons allen al sinds ongeveer 1987 te klein, waardoor het verdelingsvraagstuk zo mogelijk een nog nijpender kwestie is geworden. We zijn intussen rijkelijk laat met maatregelen nemen. We koersen af op een sociaal/ecologisch drama, vooral voor onze (klein)kinderen. Tenzij we…





Door: Jan Juffermans
Dit artikel is eerder gepubliceerd in ‘Special’ van Civis Mundi, voorjaar 2008.




Grenzen aan de groei
Er zijn al vele waarschuwingen geweest. Het rapport De grenzen aan de groei aan de Club van Rome is wellicht het meest bekend. Het rapport gaat vooral over de eindigheid van de niet-hernieuwbare hulpbronnen in relatie tot de snelle groei van de wereldbevolking.

Achteraf beschouwd zien we dat de schaarste van die niet-hernieuwbare grondstoffen wat minder snel is gekomen dan toen werd voorspeld. Het gaat over olie, gas, kolen en andere delfstoffen, waarvan echter ook de nieuwe reserves door groeiend gebruik snel slinken. De door de Club van Rome gesignaleerde problemen zijn dus uiterst actueel. Het is nu de vraag of we niet al moeten stoppen met het gebruik van de fossiele energiebronnen als brandstof, vóórdat ze opraken. Het effect op het klimaat ervan is immers groot. Het is om meer redenen heel verstandig maar zo snel mogelijk over te schakelen op duurzame energiebronnen. En direct ook grote aandacht te geven aan energiebesparing, want voorlopig is dat nog de meest duurzame ‘energiebron’. De olie kan dan vele eeuwen goed benut worden voor recyclebare kunststoffen. Dat is slimmer dan het eenmalige verbranden.

Ook zijn er nu grote zorgen over de beschikbaarheid van hernieuwbare grondstoffen, ofwel de natuurlijke productie- en regeneratiecapaciteit van de natuurlijke systemen. Het gebruik gaat sinds enkele decennia sneller dan de aanmaak en het herstel. We gebruiken ook het natuurlijk kapitaal in plaats van alleen de rente. We zien daardoor problemen ontstaan met de visvangst, met hout, (drink)water, de vruchtbaarheid van de bodem en schone lucht. We worden zo geconfronteerd met de realiteit van de beperkte mondiale gebruiksruimte, en de verdeling daarvan, want de aarde blijkt toch wat kleiner dan we hoopten. We staan voor een verdelingskwestie tussen mensen onderling, voor wonen en voedsel bijvoorbeeld, maar ook met de natuur, voor het behoud van ecosystemen en de verscheidenheid aan planten en dieren, ofwel de mondiale biodiversiteit, waarvan ons leven afhankelijk is. Zo komen we bij de Mondiale (Ecologische) Voetafdruk, het model waarmee het mondiale ruimtevraagstuk goed in beeld wordt gebracht.


De Mondiale Voetafdruk
De basisberekening van de voetafdruk is het mondiale ruimtebeslag per persoon in hectares. De Nederlander gebruikt gemiddeld 4,4 ha, terwijl er per wereldbewoner maar 1,8 ha beschikbaar is, inclusief de nodige ruimte voor de natuur. Omdat de gemiddelde voetafdruk van de wereldbevolking reeds 2,2 ha bedraagt, leven we sinds ongeveer 1987 in een situatie van ‘overshoot’ en ontstaan de ernstige problemen zoals de klimaatverandering, overbevissing en het uitsterven van dier- en plantensoorten. In het Living Planet Report 2006 wordt met twee grafieken helder aangegeven hoe we er nu voorstaan. De natuur degradeert kwantitatief en kwalitatief, mede omdat de totale wereldbevolking al ongeveer 30% meer van de aarde consumeert dan duurzaam kan worden opgebracht. Als we zo doorgaan, dan hebben we in 2050 twee aardes nodig… [1]


Our Common Future
Het besef van de beperkte mondiale gebruiksruimte bleef lang het onderwerp van discussie binnen universiteiten en milieuorganisaties. In Nederland was prof. Hans Opschoor de eerste die erover publiceerde. Op de eerste milieuconferentie van de Verenigde Naties, die in 1972 in Stockholm werd gehouden, was het nog geen punt van aandacht. Het duurde tot 1987 voordat het vraagstuk wereldwijd op de politieke agenda werd gezet. Dat gebeurde door de zogenaamde Brundtland-commissie met het rapport Our Common Future. Die commissie werd genoemd naar de voorzitter, mevrouw Gro Harlem Brundtland, de toenmalige premier van Noorwegen. De commissie die ze voorzat, was formeel de World Commission on Environment and Development van de Verenigde Naties.

Een belangrijk schema uit het Brundtland-rapport geeft de scheve verhouding weer tussen rijke en arme landen qua energie- en grondstoffengebruik. De rijke landen, met samen 26% van de wereldbevolking, bleken toen (gemeten tussen 1980 en 1982) 80% van de fossiele brandstoffen en andere grondstoffen op te souperen. In de tekst van het rapport wordt duidelijk gemaakt dat het ecologisch onmogelijk is dat een dergelijk niveau van hulp-bronnengebruik door iedere wereldbewoner zou kunnen worden nagevolgd. De Chinezen, Indiërs en mensen in nog vele andere landen, zijn evenwel hard bezig met een inhaalslag. Daardoor gaan de prijzen nu omhoog. Hoe komen we nog tot een goede verdeling?


Recht op gebruiksruimte
In 1993 verscheen aan de Vrije Universiteit Amsterdam een rapport over ‘de rechten van de armen’, waarin over een zakelijke herverdeling van de rechten op CO2-uitstoot wordt gesproken, als een zakelijke benadering van het arm-rijk-vraagstuk. Hierbij komt een nieuw soort denken naar voren, namelijk van quotering en een eerlijke verdeling van de beperkte mondiale gebruiksruimte. Tot nu toe is vooral op basis van vrijwilligheid gewerkt aan veranderingen in de richting van duurzaamheid, enigszins gesteund door een bescheiden pakket van regels en wetten. Met educatie kun je natuurlijk ook wel een heel eind komen. Maar nu werd de opmerkelijke gedachte geopperd dat we allen letterlijk recht hebben op een even groot stukje van de aarde. De koppeling tussen milieu en mensenrechten werd dus gelegd. Dat leek me een heel logische benadering, en wellicht een effectieve strategie.

Dezelfde gedachten over mensenrechten en milieu blijken rond 1991 ook al gelanceerd te zijn door de duurzaamheidspecialisten Anil Agarwal en Soenita Narain uit India, die daarmee actief waren rond de klimaatdiscussie op VN-niveau. Het denken in die richting van duurzaamheid en mensenrechten is daarna goed verder ontwikkeld, vooral in wetenschappelijke instellingen. Met name de CO2-quotering is nader uitgewerkt. In 2001 maakte ik een internationale wetenschappelijke conferentie hierover mee, waar tot mijn grote verrassing al diverse modellen werden gepresenteerd hoe we tot internationale regulering en herverdeling kunnen komen. Vanuit Nederland bleken het RIVM in Bilthoven en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) in Petten op dit terrein actief te zijn.

Een paar jaar na de eerste publicaties over CO2-emissies en mensenrechten schreef Marc Davidson een meer algemeen artikel over het recht op gebruiksruimte en won daarmee de Rachel Carson Milieuprijs 1994-1995. Uit zijn verhaal blijkt dat de koppeling tussen mensenrechten en milieu zelfs historisch stevig is gefundeerd. Hij verwijst naar de filosoof John Locke, een van de grondleggers van het liberalisme. Locke opperde al in 1690 de gedachte dat een individu niet ongelimiteerd stukken natuur voor zichzelf mag claimen omdat de planeet eindig is. Je mag wel een gedeelte van de (vruchten van de) natuur opeisen, mits er voor anderen genoeg en van dezelfde kwaliteit over blijft! Hij pleitte dus heel zakelijk voor een eerlijke verdeling. Niemand kan meer aanspraak maken op de natuur dan een ander, want de mogelijkheden die de natuur biedt, zijn niemands persoonlijke verdienste, zo redeneerde hij.

In 1796 viel de Engelse filosoof Thomas Paine hem bij. Er was toen sprake van schaarste aan landbouwgrond. Paine ging er ook vanuit dat iedereen recht heeft op een gelijk gedeelte van de natuur. In het pamflet Agrarian Justice bepleit hij toepassing van het liberale principe dat niemand méér natuur of grond voor zichzelf mag claimen dan er in principe ook voor anderen beschikbaar is. Hij stelde daarmee de scheve verhoudingen in landbezit aan de kaak. Als praktische oplossing stelde hij voor dat de grootgrondbezitters via een fonds compensatie moesten gaan betalen aan hen die geen grond hadden. Een vorm van herverdeling dus, op basis van gelijke rechten.

Destijds speelde die problematiek vooral op regionaal niveau, maar nu is het op mondiaal niveau een actuele kwestie. Davidson trekt de lijn dan ook door naar het concept van de mondiale gebruiksruimte, en daar kunnen we nu de Mondiale Voetafdruk bij zetten.


Wereldbevolking en de voetafdruk
Door de situatie waarin we mondiaal verzeild zijn geraakt, staan we voor twee samenhangende uitdagingen: de verkleining van ons totale ruimtebeslag en een rechtvaardige verdeling. Om daar handen en voeten aan de geven kunnen we volgende formule gebruiken.

Mondiaal ruimtebeslag = Bevolking x Voetafdruk per persoon.

De rol van de omvang van de bevolking is duidelijk: hoe meer mensen, hoe meer voetafdrukken. Dus telkens als er een kind wordt geboren moeten we allemaal een beetje inschikken. Dan wordt de beschikbare gebruiksruimte per persoon een beetje kleiner. Het omgekeerde is natuurlijk het geval als er iemand overlijdt: dan komt er wat ruimte vrij. Het gaat dus om de balans tussen die twee. Vooralsnog zien we de wereldbevolking echter nog snel groeien. Daarom is het afremmen van de groei en vervolgens krimp voor ons allen een urgent actiepunt, in de arme landen, maar zeker ook in de rijke(re) landen. Daar kom ik aan het eind van dit artikel nog op terug.

Dan het tweede aspect: de voetafdruk per persoon. Die voetafdruk verkleinen kan op vele duizenden manieren. We hebben dat niet helemaal zelf in de hand. Veel hangt af van ontwerpen en de stand van de techniek in onze samenleving. De politiek kan dat proces sturen. Het gaat hier bijvoorbeeld om het ontwerpen van milieuvriendelijke huizen en autovrije steden, en techniek zoals zonnepanelen en windmolens. Daarbij moet wel worden gewaarschuwd voor het gevaar van reboundeffecten bij nieuwe technologie. Het bekendste voorbeeld is de spaarlamp. Ondanks de besparende technologie blijkt het gebruik ervan zelfs te leiden tot een groter energiegebruik. Omdat mensen meer lampen gaan gebruiken (bijvoorbeeld in de tuin) en ze ook langer laten branden. Ze zijn immers zo lekker zuinig…

De meest cruciale factor voor een mooie voetafdruk is onze leefstijl. Wij kunnen immers van vandaag op morgen beslissingen nemen die onze voetafdruk direct verkleinen, bijvoorbeeld door energie te besparen, de fiets te pakken, niet te gaan vliegen, en vooral minder vlees en zuivel te eten. Het is intussen overduidelijk dat er flink wat mondiale gebruiksruimte vrij komt als we het aantal koeien en varkens zouden halveren. Honden en katten moeten we ook niet vergeten, want die hebben ook een flinke pootafdruk.

In het algemeen zien we grotere voetafdrukken bij hogere inkomens. Maar dat kan spoedig gaan veranderen. Juist met ‘duurzame’ investeringen, bijvoorbeeld in een energiezuinig huis met zonnepanelen, kun je een kleinere voetafdruk kopen. Met (veel) geld kun je ook kiezen voor (dure) kunstwerken en antiek, of voor een sabbatjaar waarin je lang en rustig over land/water gaat reizen. Daar wordt je voetafdruk nauwelijks groter van. Hiermee is niet gezegd dat de steeds hogere inkomens, waarvan een steeds kleiner deel voor voedsel wordt uitgegeven, geen knelpunt is!

Met de combinatie van het persoonlijk werken aan een duurzame leefstijl, en nieuwe ontwerpen en techniek, is het volgens De Kleine Aarde goed mogelijk een mooie voetafdruk te realiseren. In het Eco-park in Boxtel is alles erop gericht daar inspiratie en informatie over te geven. Dat gebeurt in toenemende mate in samenwerking met bedrijven en instellingen die de benodigde producten en diensten leveren, met de kleinst mogelijk voetafdruk.

Het grote belang van duurzame leefstijlen is al in diverse politieke documenten onderkend, zoals het Brundtland-rapport en de Agenda 21. Het onderwerp staat daarmee formeel op de politieke agenda, maar in de praktijk blijkt het nog een teer punt. Politieke bemoeienis wordt ervaren als ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer. Waarom? Als je goed nadenkt is de huidige onduurzame leefstijl ook door de politiek vormgegeven, en vaak zelfs bewust gestimuleerd. Denk bijvoorbeeld aan de vele autowegen in ons land: daarmee werd autogebruik aangemoedigd. Vliegen is een ander voorbeeld. De ontwikkeling van de luchtvaart is sterk door de overheid gesteund en ook zwaar gesubsidieerd. Zelfs nu wordt er geen BTW betaald en geen belasting geheven op vliegen of kerosine, dus wordt die manier van vervoer bevoordeeld boven andere vormen van (openbaar) vervoer: oneerlijke concurrentie dus. Voer voor juristen.

Zo zien we meer gevallen van overheidssteun aan bepaalde aspecten van levensstijlen. Tot voor kort was parkeren met de auto vaak gratis. Terwijl met gemeenschapsgeld de plaatsen zijn aangelegd en worden onderhouden. Dus is er sprake van overheidssteun. Daarmee kunnen dus bepaalde leefstijlen worden gestimuleerd.


Noodzaak duurzame leefstijlen
De noodzaak om te werken aan duurzame leefstijlen werd in 1998 nog eens extra benadrukt met het uitkomen van het Human Development Report, deze keer speciaal gewijd aan duurzame productie en consumptie. Was de kloof tussen arm en rijk volgens het Brundtland-rapport al bijna niet meer te overbruggen, nu moest worden geconstateerd dat die kloof zelfs nog groter was geworden. In nuchtere cijfers: de rijke landen, met slechts 20% van de wereldbevolking claimen nu zelfs gemiddeld 85% van de jaarlijks verhandelde energie en grondstoffen. In het Brundtland-rapport, elf jaar daarvoor, was dat nog respectievelijk 25% en 80%!

Van de gapende kloof tussen arm en rijk weten we nu alles, maar een goed plan om daar op korte termijn verandering in te brengen is er niet. Meer mensen dan ooit leven in bittere armoede en dagelijks sterven daardoor nog 30.000 kinderen! Daarmee schendt de rijke wereld de fundamentele rechten van mensen. We hebben slechts de Millennium Development Goals van de Verenigde Naties, waarin ernaar gestreefd wordt de ernstigste armoede in 2015 te halveren. Dat betekent dat de andere helft voorlopig wordt afgeschreven. Eigenlijk staan we anno 2008 nog voor de eenvoudige vraag hoe we bijvoorbeeld 10 appels moeten verdelen onder 10 kinderen. Nu gaat het nog zo dat 2 kinderen al direct 8 appelen pakken. De andere 8 kinderen moeten maar zien hoe ze het restant zien te verdelen.

We hebben gezien dat voor een duurzame ontwikkeling op aarde de omvang van de bevolking en hun voetafdruk cruciaal zijn. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het United Nations Population Fund in zijn rapport State of the World Population in 2001 dezelfde combinatie presenteerde. Het rapport werkt met de gegevens van het Living Planet Report en neemt de conclusies daarvan over: zo kan het niet lang meer verder gaan! Niet alle mensen op aarde kunnen gaan leven zoals de rijke landen ten toon spreiden, en via de media verspreiden.

In 2005 verscheen een rapport over de voetafdruk van de Europese landen, uitgegeven door het Wereld Natuur Fonds. Daarin kwam naar voren dat Europa, met slechts 7% van de wereldbevolking 17% van de mondiale gebruiksruimte in gebruik heeft. In het voorwoord erkent EU-voorzitter Barosso dat die kwestie meer aandacht vergt.

De politiek kan er dus langzaam maar zeker niet meer omheen. Maar de formele, internationale erkenning van een eerlijke verdeling van de beperkte mondiale gebruiksruimte als een universeel mensenrecht, dat zal nog wel wat voeten in de aarde hebben. Maar gezien de urgentie van dit vraagstuk is wellicht de weg via de mensenrechten toch de meest effectieve route.


Duurzaamheid en mensenrechten
Een paar jaar geleden werd ik op die mogelijkheid gewezen door rechter Richard Goldstone uit Zuid-Afrika, die bekendheid verwierf met zijn voorzitterschap van het Joegoslavië-tribunaal. Hij hield in juni 2002 een boeiende lezing in het Institute of Social Studies in Den Haag over de relatie tussen (mensen)rechten en duurzaamheid. Daar ligt nog een groot terrein braak, volgens hem, waarbij goed voortgebouwd kan worden op de belangrijke basis die nu al gelegd is in het internationaal recht, met name de universele mensenrechten! Hij was daar optimistisch over, dat zou een effectieve aanpak kunnen zijn. Goldstone heeft vervolgens in 2002 deelgenomen aan een internationale conferentie over duurzaamheid en de rol van het recht. Daar werd bevestigd dat voor mondiale duurzame ontwikkeling de route via (mensen)rechten en juridische processen veel meer aandacht verdient. De juridische wereld wordt in de Verklaring van het congres dan ook opgeroepen zich extra in te gaan spannen voor mondiale duurzaamheid. Voor de uitwerking van bijvoorbeeld een ‘global deal’, zoals hieronder wordt beschreven, zouden ze wellicht heel nuttig werk kunnen doen.


Naar een ‘global deal’
Al sinds enige jaren wordt gezocht naar een global deal, waarmee we wereldwijd, gezien de precaire situatie waarin we beland zijn, effectieve grote stappen richting duurzaamheid kunnen zetten. Op basis van de in dit artikel beschreven processen richting mensenrechten en duurzaamheid, is het denkbaar dat de rijke landen jaarlijks een rechtvaardige CO2-tax of footprinttax moeten gaan betalen, gerelateerd aan de grootte van hun Mondiale Voetafdruk. De opbrengsten daarvan komen rechtens toe aan de mensen, met name de armen, die nog maar een heel bescheiden voetafdruk hebben. Met het geld moet direct geïnvesteerd worden in de broodnodige basisbehoeften, zoals voldoende en gezond voedsel en drinkwater, educatie en gezondheidszorg, maar tegelijk ook in duurzame energie, zoals windmolens en zonnesystemen, kortom in duurzame ontwikkeling.

Op deze manier vangen we meer vliegen in één klap: de armoede neemt af, de CO2-uitstoot gaat omlaag, klimaatverandering vermindert, en zelfs de groei van de wereldbevolking kan ermee afgeremd worden. Uit onderzoek weten we namelijk dat meer bestaanszekerheid, educatie/emancipatie en gezondheidszorg voor met name vrouwen, al spoedig leiden tot de keuze van minder kinderen per familie. Bovendien zullen door de forse footprinttax, die jaarlijks wordt bepaald op basis van de actuele CO2-uitstoot, de rijke landen extra gestimuleerd worden om drastisch energie te besparen en veel meer gebruik te maken van duurzame energie en technologie. Deze gezamenlijke aanpak om te werken aan mondiale duurzaamheid en tegelijk de kloof tussen rijk en arm versneld te dichten, op een zakelijke manier, zou tevens de vrede tussen landen kunnen bevorderen en daarmee een echte global deal genoemd kunnen worden. Het komt voor de rijke landen neer op welbegrepen eigenbelang. Dit proces kan leiden tot een eerlijker verdeling en uiteindelijk tot quotering van de beperkte mondiale gebruiksruimte.

Naast de mondiale aanpak zijn er natuurlijk ook nationale en lokale strategieën nodig, die duurzame leefstijlen stimuleren, inclusief de keuze voor minder kinderen. Bijvoorbeeld geen kinderbijslag meer na het eerste of tweede kind. Belangrijk is hierbij de grote verschillen in Mondiale Voetafdruk tussen rijke landen en arme landen in ogenschouw te nemen. Een kind in ons land gebruikt gemiddeld wel 5 tot 40 keer meer van de aarde dan een kind in India of Afghanistan. De gemiddelde voetafdruk in Nederland is immers 4,4 ha, maar in India 0,8 ha en in Afghanistan slechts 0,1 ha. Dat maakt extra duidelijk dat bevolkingspolitiek ook in de rijke landen snel een grote prioriteit moet worden.



1] De Mondiale Voetafdruk meet het gebruik van energie en bioproductieve ruimte. Meer informatie vindt u op De Kleine Aarde en in het boek Nut & Noodzaak van de Mondiale Voetafdruk over de mondiale gebruiksruimte, duurzaamheid en mensenrechten’ door Jan Juffermans, Lemniscaat, 2006.


Illustratie: grafiek uit LPR 2006 met het volgende bijschrift:
Deze twee grafieken komen uit het Living Planet Report 2006, uitgegeven door het Wereld Wildlife Fund in Zwitserland en het Global Footprint Network in de USA.
De linkse grafiek laat de gemiddelde daling zien van het aantal populaties van zo’n 1300 diersoorten wereldwijd, op het land, in zoet water en in oceanen.
De rechtse grafiek toont de groei van de Mondiale Voetafdruk van alle mensen samen. Die consumeren nu al ongeveer 30% meer dan de aarde duurzaam kan blijven opbrengen. Rond 1987 gingen we door de duurzaamheidsbarrière heen van één aarde. Het rapport kan hier in diverse talen worden gedownload.



Rapport van de Club van Rome, De grenzen aan de groei, door Dennis Meadows, uitgeverij Het Spectrum, wetenschappelijke pocket 500, 1972.

Our Common Future. Rapport van de VN Commissie voor Milieu en Ontwikkeling, Oxford University Press, Oxford, New York 1987. ISBN 0-19-282080-X.

Wereldvoedselvooziening en de rechten van de armen; bestaande en nieuwe mogelijkheden tot eerlijk delen, SOW-IOW, Vrije Universiteit, Amsterdam 1993.

Global warming in an unequal world, door A. Agarwal en S. Narain, New Delhi 1991.

Liberale grondrechten en milieu. Het recht op milieugebruiksruimte als grondslag van een basisinkomen, door M.D. Davidson, in tijdschrift Milieu, nr. 5, 1995.

Human Development Report 1998, uitgave UNDP, Oxford University press, New York, Oxford 1998.

Footprints and Milestones: Population and Environmental Change. The state of world population 2001, uitgave United Nations Population Fund 2002.