Artikel

Beheren of begeleiden?


Een Kamermeerderheid schoof het bestaand beleid in de Oostvaardersplassen terzijde, ondanks de vervroeging beleidsevaluatie. Het verdeelt de Nederlanders in natuurliefhebbers en dierenliefhebbers. Hoe is zo’n onderscheid tussen natuur én dieren mogelijk?



Tekst en foto’s: Marcel Vossestein

Dit artikel is op 15-05-2010 geplaatst





“Stuur met de natuur!”
In 1998 werd de Flora- en faunawet vastgesteld. Als regel zouden dieren in de natuur alleen nog gedood worden bij uitzichtloos lijden: het ethisch afschot. De mens vervangt het roofdier. Roofdieren leven van de uitvallers onder de prooidieren. De fitte kosten teveel moeite, tenzij ze niet goed opletten. Zodra de jonge prooidieren ’s zomers voldoende groot zijn, hebben de roofdieren het moeilijk. De prooidieren bepalen hoeveel roofdieren in een gebied kunnen leven. Roofdieren hebben belang bij zo veel mogelijk prooidieren. Dat verzekert ze van de meeste uitvallers, hun voedselbron. ’s Winters ligt het eten voor de roofdieren bijna voor het oprapen. Dan hebben de prooidieren het moeilijk. Al snel zijn er dan meer verhongerende prooidieren dan de roofdieren op kunnen. Ook dan is dan nog een ethisch afschot door de mens nodig. Roofdieren rennen niet voor hun lol achter de prooidieren aan. De mens als vervangend roofdier doet dat maar al te graag, zoals de praktijk bewijst.




Uit het bloed blijkt dat afschot van wild(e zwijnen) zelfs in een zoel plaatsvond.





“Regeer met het geweer”
Twee jaar na de vaststelling van de Flora- en faunawet waren ook de uitvoeringsbesluiten er. In 2000 vastgesteld met ook dat ethisch afschot voor de grote zoogdieren. Om misstanden te voorkomen werden ook een aantal extra redenen om in te grijpen opgenomen. De begrippen daarvoor zijn “de schadehistorie ter plaatse en van het omringende gebied” en “de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied”. Maar er zijn ook belangen als het dubieus genoegen van dieren als levende schietschijf en ook financiële belangen. Wegen met meer auto’s op de Veluwe betekenen meer wildaanrijdingen als “schadehistories”. Meer dieren zou ook oorzaak zijn en dus ook:“de maximale populatieomvang”. Voor de wilde zwijnen was er een theoretische populatieontwikkeling gedurende honderd jaar beschikbaar. Vijf à zes keer in een eeuw zouden er na de winter nog maar 800 wilde zwijnen over zijn. Met dat maximum van 800 koos men voor minstens 80% fout! Dertig jaar lang overleefden gemiddeld minstens 1.400 wilde zwijnen. Maar vanaf 2004 werd vooral het dode zwijn het beste zwijn.




Sinds de lang gebruikte zoelen onveilig zijn, worden incidentele plassen en plasjes op paden als zoel gebruikt.





Hoogzit met een handje lokvoer
In de Flora- en faunawet staat hoe afschot moet. Een jager mag eenzaam rondsluipen zonder dieren op te jagen of vanaf een hoogzit, waar wild op lokvoer afkomt. Prima voor een zorgvuldig ethisch afschot. Maar niet met de Veluwse feiten en doelen. De onbalans tussen aantallen en voedsel had in 2008 de voortplanting onder de wilde zwijnen al opgejaagd tot 5,4 biggen per zwijnenmoeder tegenover de 2,2 gemiddeld in de jaren ‘90. Men moest ruim 6.000 wilde zwijnen doden. Met een gemiddelde van één zwijn per vijf avonden lukt dat vanaf de hoogzit niet. En die eenzaam rondsluipende jager evenmin. Om per 2.000 voetbalvelden dichtbegroeid bos een aantal van 133 terug te brengen tot 17, zijn geavanceerdere middelen nodig als infraroodlampen, nachtkijkers en geluiddempers. De Provincie Gelderland gaf er gedeeltelijk toestemming voor in strijd met verdragen en de wet. Uit de wildaanrijdingen bleek dat het uitkammen van de leefgebieden vooral in de nachten van zaterdag op zondag en ook van woensdag op donderdag plaatsvond. Verjaagd uit hun leefgebieden zorgt het wild voor meer “schadehistories”. Fikse deuken in het gaas van rasters, het extreme vlucht- en schuilgedrag en bloed in zoelen als hun modderplekken zijn minder opvallende gevolgen.




Sinds de intensievere bejagingen moeten de gebruikelijke hekwerken met extra schrikdraad worden ondersteund.





Slachting of begeleiding?
Beide gebieden tellen gemiddeld zo’n 4.000 grote zoogdieren. Op de Veluwe leidde “de maximale populatieomvang” tot destabilisatie met een aanwas van 5.781 (=119,4%) en een afschot van 6.620 (=136,8% ) ten opzichte van de omvang na de winter 2008/09. Dat de ± 2.500 wilde zwijnen aan een genadeloze exploitatie blootstaan, blijkt uit de aanwas van 4.385 (=174,1%) en een afschot van 5.403 (=214,6%). Uit de aanwas van 830 (=23,9%) en sterfte van 1.099 (=27,3%) ten opzichte van begin 2009 in de Oostvaardersplassen blijkt, dat de dieren zich ontwikkelden tot grote stabiele populaties. Het grote verschil is dat écht realistische, breed uitgemeten, indringende beelden van het Veluws faunabeheer ontbreken in tegenstelling tot die in de Oostvaardersplassen. Wellicht moet men de wijze raad van Herman Wijffels ter harte nemen: "Ik wil mensen bewust maken van het feit dat je de natuur niet zo naar je hand kan zetten dat je er de baas over speelt” (1).


1] Herman Wijffels in het Tv-programma IKON “Paul Rosenmöller en...”, 29-12-2005.




Forse deuken in het gaas maken duidelijk dat voor de dieren tijdens hun paniekvlucht de rasters een versperring vormen.




Kostbare aanpassingen om te voorkomen dat wild de snelweg over vluchten vanwege de intensieve bejaging in hun leefgebieden.




Zodra de jacht is geopend, zoeken wilde zwijnen veiligheid langs wegen waar intensief jagen onmogelijk is.




Een kortzichtig vooroordeel als illustratiemateriaal.




Een zwijnenmoeder met tien biggen worden eerder als een succes gezien dan het alarmsignaal, dat het feitelijk is van het pogen van wilde zwijnen om hun aantal op de levensmogelijkheden aan te passen.




De 'maandag zwijnendag' bij de wildslager als (kritiekloos) voorpaginanieuws, bleek de analyse te ondersteunen dat de bejaging (van "beschermde dieren") met nachtzichtapparatuur en geluiddempers met meest in de nachten van zaterdag op zondag plaatsvond.




Kilometers rasters lopen dwars door natuurgebieden.




Wilde zwijnen kunnen flinke oppervlakken met adelaarsvarens grondig 'omspitten' op zoek naar de eetbare wortels daarvan, terwijl men suggereert als zouden eikels en beukennootjes vooral hun voedsel zijn.