Artikel

Christelijke ethiek


In de christelijke ethiek wordt het begrip rentmeesterschap gebruikt voor ons omgaan met ons bezit en met het geschapene.




Dit artikel is op 16-04-2010 geplaatst

Uit: Stichting protestant.nl



Uitgangspunt is dat God de eigenaar van alles is (Lev. 25:23; Ps. 24:1, 50:10), dat Hij zijn schepping aan de mens in beheer heeft toevertrouwd (Gen. 1:28 en Ps. 115:16) en dat de mens eens rekenschap van zijn beheer moet afleggen (Matt. 25:19). In de bijbel komt het begrip rentmeesterschap in deze zin niet rechtstreeks voor; wel als vergelijking (Luc. 12:42) en overdrachtelijk (1 Petr. 4:10). Als rentmeester heeft de mens de plicht om te arbeiden met het materiaal dat God hem heeft toevertrouwd. Dat hij geen absoluut eigenaar van zijn bezit is maar het in beheer heeft gekregen, houdt in dat zijn gebruik daarvan overeenkomstig Gods wil moet zijn, in dienst van God en tot welzijn van de naasten, in het bijzonder ook de behoeftigen, zowel in de naaste omgeving als wereldwijd. Zo heeft het rentmeesterschap wereldwijde dimensies (zie ontwikkelingssamenwerking).




Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer



Giften doen is een wezenlijk onderdeel van de christelijke besteding van geld. Een christen moet mededeelzaam zijn en voor zichzelf tevreden zijn met onderhoud en onderdak (1 Tim. 6:18, 8). De mens mag het vruchtgebruik van het geschapene genieten voor zijn levensonderhoud of als hulpmiddel voor zijn arbeid, maar hij mag Gods schepping niet uitputten of vernielen. Veeleer behoort hij dieren en planten en de niet- levende natuur met liefde te verzorgen en te brengen of bewaren in een staat die God als eigenaar eer toebrengt. Zo is het rentmeesterschap een motief voor natuur- en milieubeheer.



Bronnen
J.P. de Vries [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]

Verder lezen
P.J. Roscam Abbing, Ethiek van de geldbesteding (Nijkerk 1963)

P. Nijkamp en J. Douma, Het gelaat van de aarde (Groningen 1974)

J. Douma, Milieu en manipulatie (Kampen 1989)