Artikel

Vrijbrief om de natuur te cultiveren


Hoe kan het dat mensen die geloven dat de aarde geschapen is, de natuur vaak een ondergeschikt belang vinden? In de Nederlandse Geloofsbelijdenis uit 1561 staat het nog zo mooi: ‘De schepping en in stand houding van de wereld door God, zijn voor onze ogen als een prachtig boek, waarin alle schepselen, groot en klein, de letters zijn, die ons te aanschouwen geven wat van God niet gezien kan worden’.





Dit artikel is op 14-04-2010 geplaatst

Door Peter Vos




Voor verreweg de meeste (natuur-)wetenschappers stond het vast dat de bestudering van de natuur en de natuurwetten ons kennis verschafte over de Schepper van het geheel. Tot het begin van de negentiende eeuw was dit een algemeen en geaccepteerd motief om wetenschap te bedrijven. Meer in het algemeen zorgde de verantwoordelijkheid die sommigen voelden jegens een hogere macht voor een zekere voorzichtigheid in de omgang met de natuur. Het vormde een ideologische rem op de uitbuiting van de natuur. Het natuuronvriendelijke en uitbuitende handelen voerde echter de boventoon.

Er worden wel vier grondhoudingen onderscheiden: heersershouding (antropocentrisch), rentmeesterhouding, partnerhouding en participatiehouding (ecocentrisch). De rentmeester gebruikt de natuur wel, maar met meer oog voor het voortbestaan van die natuur. Bij de partnerhouding zijn mens en natuur gelijkwaardig.

De christelijke politieke partijen CDA, CU en SGP beroepen zich op het rentmeesterschap als een op de bijbel gebaseerde zorgzame houding van de mens ten opzichte van het natuurlijk milieu. In ‘Thora en Stoa; een bijdrage aan het milieudebat over duurzaamheid en kwaliteit’ bekritiseert Jan Boersema deze rentmeestergedachte.

Deze gedachte komt in de bijbel niet voor. Het woord rentmeester wordt wel in de bijbel gevonden, maar niet verbonden met de natuur. In de bijbel is er een morele band met de gedomesticeerde natuur en voor de omgang met die natuur worden regels gegeven. De overige natuur wordt niet aan de mens in beheer gegeven.

Boersema vindt het ook beter om te spreken van een grieks-christelijke dan een joods-christelijke traditie. Kenmerkend daarvoor is lange tijd de opvatting geweest dat de mens de 'kroon der Schepping' zou zijn, door God hoogstpersoonlijk aangesteld om, goedschiks dan wel kwaadschiks, al wat hij op aarde vindt aan zich te onderwerpen. Niet de mens was echter het middelpunt der Schepping, maar God zelf. Kroon op de scheppingsarbeid was dan ook niet de mens, maar de sabbat: de dag waarop God rustte om het werk Zijner handen te overzien.

De gedachte dat de mens privileges kan ontlenen aan het feit dat hij, anders dan de dieren, over een rationele geest beschikt en vrijelijk kan heersen over al wat derhalve aan hem ondergeschikt is, is vooral terug te voeren op het antropocentrisch mensbeeld van oude Griekse filosofen, zoals Plato en diens volgelingen.

Terwijl de strenge joodse wetten een zeker respect van de mens voor de natuur in stand hielden, plaatsten de Grieken de mens in het midden. De wereld was naar hun mening
een keurig geordend geheel en als zodanig volledig kenbaar. De mens had tot taak die werkelijkheid met zijn rationele bewustzijn te ontrafelen. Van de Grieken stamt dan ook de cultuuropdracht om in potentie 'nuttige' natuur te temmen of te domesticeren en de schadelijke en of onnutte natuur te vernietigen.





Als mensen zich verheffen tot God, dan gaat het leven kapot.
Foto: © Stichting Krtitisch Bosbeheer






Vertegenwoordigers van de christelijke partijen in de Tweede Kamer lijken het onderscheid tussen gecultiveerde, mensgerichte natuur en wilde, ongetemde natuur niet te kennen. Tal van CDA’ers kwamen in het nieuws met hun stringente, eenzijdige aanpak van schade door dieren. Accepteren dat samenleven ook inschikken betekent, is er bij deze CDA’ers niet bij.

De CU motiveert zijn stem voor het ingrijpen in de Oostvaardersplassen vanuit het rentmeesterschap. De SGP vindt de boeren de beste beheerders van het landschap. Vanuit CU en SGP lijkt in debatten over natuuronderwerpen minder vanuit (boeren)emotie gereageerd te worden. Men argumenteert meer vanuit het belang van deskundigheid en gemaakte afspraken.

De natuur heeft bij de rentmeesterpartijen geen eigen waarde tegenover de mens. Rentmeesters zijn gericht op exploitatie en benutten van datgene wat aan hun is toevertrouwd. Zij kennen niet iets dat heilig is of iets waarvan je moet afblijven. De natuur moet nuttig zijn en geld opbrengen. Door het principe van rentmeesterschap denken mensen het goede te doen voor planten en dieren. In plaats daarvan gaat de vernietiging door en wordt alles cultuurlandschap waarin veel soorten kunnen leven, maar veel soorten ook niet.

De christelijke partijen laten het gebeuren en wie dienen ze daarmee? God dienen ze er niet mee, want rentmeesterschap is niet gericht op het beschermen van kwetsbare waarden. Ze dienen daarmee de economische mens die voor geld alles wil kunnen (ver)kopen.

n.a.v. Boersema, J.J. (1997) Thora en Stoa; een bijdrage aan het milieudebat over duurzaamheid en kwaliteit. Callenbach, Baarn.


Peter Vos heeft een ecologisch adviesbureau