Artikel

Q-koorts - een land zonder regering


De Q-koorts heeft zich in Nederland sinds 2007 verontrustend ontwikkeld en reeds duizenden mensen ziek gemaakt. Een onbekend aantal mensen belandde daardoor in het ziekenhuis en tot heden heeft de ziekte tussen zes en elf mensenlevens gekost.



Dit artikel is op 23-12-2009 geplaatst.


Q-koorts is een zoönose en wordt door de intercellulair levende, Gram-negatieve bacterie Coxiella burnetii veroorzaakt. De bacterie kan zeer lang buiten de gastheer in leven blijven en besmettingen bij mens en dier veroorzaken. De ziekte is voor het eerst in de dertiger jaren van de vorige eeuw in Australië bij gehouden dieren geïdentificeerd en beschreven. Nu komt ze over de hele wereld onder gehouden dieren voor. Voor de dieren zelf heeft de ziekte weinig consequenties en is niet levensbedreigend. Ernstige complicaties zijn op grotere schaal alleen in Nederland opgetreden waarbij bovendien is gebleken dat de ziekte zodanig was geëvolueerd dat deze voor het eerst ook van gastheerdieren of besmet materiaal naar de mens overdraagbaar bleek. De ziekte blijkt bij de mens soms langdurig van maanden tot jaren te slepen. In enkele gevallen zijn daar zelfs mensen aan overleden. Mogelijk heeft zich deze evolutie zich kunnen ontwikkelen door het op ongewone grote schaal houden van zeer dicht op elkaar gehouden dieren, die kenmerkend is voor de huidige industriële gehouden productiedieren. Negens ter wereld bevinden zich op zo grote schaal dieren van één soort bij elkaar en soorten dieren in het algemeen in zulke hoge dichtheden in een beperkte ruimte. Vanuit ecologisch perspectief kan ook het feit dat in de bio-industrie vaak gewerkt wordt met hooggeselecteerde rassen, omwille van een zo economisch mogelijke productie, waardoor feitelijk sprake is van een zeer beperkte genetische variatie van op drommen gehouden dieren als potentiële gastheren, wat de kwetsbaarheid voor o.a. ziekten er zeker niet kleiner op maakt.

De voor de Q-koorts meest relevante gastheersoort in Nederland is de melkgeit. Het houden van geiten was nog maar tot voor enkele jaren in Nederland een marginale bedrijfstak. De ontwikkeling daarvan is pas op gang gekomen na het debacle van de MKZ en varkenspest, waardoor sommige boeren hun toevlucht zochten in een alternatieve diersoort. Tot rond de eerste jaren van deze eeuw kenden we in ons land slechts enkele Q-koorts besmettingen bij mensen, van enkele individuele gevallen tot een tiental. Pas in 2007 en de jaren daaropvolgend was er sprake van een explosieve groei van ziektegevallen bij mensen, die ook een steeds ernstiger ziekteverloop lieten zien en die zijn gelijke nergens ter wereld heeft. Ook in de landen om ons heen zoals Duitsland en België komt de ziekte slechts zeer beperkt voor.

In beginsel zijn niet alleen de geiten in de bio-industrie potentiële dragers van de ziekte, de ziekte kan ook overgedragen worden door koeien, schapen, honden, katten, ratten en vogels. De ziekteverwekkende bacterie kan ook zeer lang overleven op ruwe wol, dierenhuiden, op stof in en rond de stallen en op weilanden. Berucht is de mest, vooral als deze op weilanden wordt uitgereden en zo in de omgeving kan verwaaien. Bij het indrogen van uitgereden mest kan die verwaaiing zeer lang doorgaan en zich over kilometers in de omgeving uitspreiden. Niet alleen nieuw uitgereden mest, maar ook de oude mest in de toplaag van het weiland, kan nog zeer lang een besmettingsbron zijn, vooral bij perioden met droog weer als deeltjes kunnen gaan verstuiven. Eén enkele bacterie is voldoende om besmet te raken. Mensen kunnen zich ook besmetten door het eten van rauwe melk en besmet vlees. De incubatietijd is 9 tot 40 dagen.



Wilde versus gehouden dieren
De in Nederlandse natuurgebieden voorkomende wilde dieren als edelherten, damherten, reeën, wilde zwijnen, enzovoort, kunnen ook drager zijn van diverse ziekten. Voorbeelden zijn zwijnenpest, MKZ en Q-koorts, zonder dat de wilde dieren daar overigens heel veel last van hebben. Voor zover dat is onderzocht zijn geen van deze ziekten voor wilde dieren levensbedreigend. MKZ was dat aanvankelijk tot in de eerste helft van de vorige eeuw ook niet voor gehouden dieren in de veehouderij. Alleen zeer jonge kalveren bleken er soms aan te overlijden. Pas met de intensivering van de veehouderij na de vijftiger jaren heeft MKZ zich bij gehouden dieren ontwikkeld tot uiterst levensbedreigend. Tegenwoordig kan een MKZ-uitbraak ingrijpende economische en maatschappelijke gevolgen hebben.

Tijdens de laatste varkenspest-uitbraak, waarbij vele duizenden dieren preventief werden ‘geruimd’, is er onderzoek gedaan naar het voorkomen van de ziekte bij in het wild levende wilde zwijnen op de Veluwe. Daarbij is vastgesteld dat geen van de onderzochte dieren besmet bleek. Uit het feit dat toen alle grotere relevante natuurgebieden wekenlang voor beheerders en publiek gesloten waren, kan worden afgeleid dat er bij ‘landbouw’ grote vrees bestaat voor overdracht van ziekten van wilde dieren naar in de bio-industrie gehouden dieren. Gezien de mogelijke zeer ernstige economische en maatschappelijke gevolgen is die vrees begrijpelijk. De feiten ondersteunen dit echter niet. Toch heeft de vrees voor ziekte-overdracht van wilde naar gehouden dieren een verontrustend grote rol in het huidige natuurbeleid. Dat blijkt onder andere bij de aanleg van ecoducten. Die zijn nodig om de vele versnipperde natuurgebieden weer met elkaar in verbinding te brengen. Bijvoorbeeld het rivierengebied en de Oostvaardersplassen moeten dringend weer voor wilde dieren van de Veluwe toegankelijk worden en andersom. Maar vanwege de vrees op besmetting van ziekten van wilde dieren op huisdieren, wil men de doorgang van juist het wild zwijn op al die aan te leggen ecoducten beletten. Terwijl nota bene het wild zwijn ecologisch gezien als een sleutelsoort kan worden beschouwd, wat feitelijk betekent dat zijn ecologische invloed op het ecosysteem en interacties met andere organismen in natuurgebieden een bovengemiddelde uitwerking heeft. Met andere woorden: natuurgebieden zonder sleutelsoorten functioneren fundamenteel anders en gebrekkiger. Het primaat van de zwaar geïntensiveerde bio-industrie (‘landbouw’) heeft zodoende vergaande nadelige consequenties voor het ecologisch functioneren van onze natuurgebieden. Onderzoek laat zien dat dierziekten zich tot verontrustende proporties kunnen voordoen in juist de bio-industrie en hoogst zelden bij vrij levende wilde dieren. Het probleem kan alleen opgelost worden waar zij wordt veroorzaakt: namelijk in de veehouderij. Het dictaat van de veehouderij op natuur en milieu is nu onverantwoord groot en strekt zich uit tot buiten de industrie zelf en tot diep in de natuurgebieden.


Beleid
Tot 2009 gebeurde er rondom de Q-koorts naar de beleving van de burger beleidsmatig weinig tot niets. Ook de plaatsen en het aantal van besmette bedrijven en de structuur van de risico’s op besmetting bleef voor de burger een gesloten boek. Zij werden echter in bepaalde gevallen wél ziek en maakten zich grote zorgen. Mede door het verloop van de besmettingen probeerden enkele organisaties de overheid aan te manen om de regie in handen te nemen. Vooral Wakker Dier en de Partij voor de Dieren verzochten de overheid al in 2008 en later opnieuw rond de herfst van 2009 dringend om de fokbedrijven te laten afzien van het weer een nieuwe lichting geiten zwanger te laten maken. Want juist zwangere dieren, zo werd al in 2008 vastgesteld, bleken een zeer risicovolle bron van de gevreesde Q-koorts besmetting. Dat verzoek werd door de overheid genegeerd met de in de 2e kamer uitgesproken wens van de bewindspersoon om eerst meer onderzoek te willen doen, zijnde in de politiek een bekende ontwijkende tactiek om verder geen beleid te voeren.

Pas twee jaar na de eerste uitbraak van de Q-koorts kwam de overheid in beweging. Dat gebeurde plotsklaps van de ene op de andere dag na een Zembla-documentaire van de VPRO die op 6 december 2009 op televisie werd vertoond. Een dag later al kwamen opeens de eerste maatregelen die in dit vergevorderde stadium onontkomelijk waren. Op 11 december 2009 kondigde o.a. de provincie Noord-Brabant met onmiddellijke ingang een bouwstop af voor geiten- en schapenhouderijen. Voorts meldde de rijksoverheid dat ze alsnog alle bedrijven wilden bekendmaken waar de ziekte in welke bedrijven had toegeslagen. Gegevens die tot dan toe, ook op nadrukkelijk verzoek van publiek en artsen, strikt geheim gehouden werden. De meest ingrijpende maatregel werd het aangekondigde ‘ruimen’ van alle mogelijk besmette dieren, een maatregel die waarschijnlijk niet nodig geweest zou zijn indien gevolg zou zijn gegeven aan het eerder door maatschappelijke organisaties herhaald verzoek tot een fokverbod.

'Landbouw', zo blijkt ook uit de genoemde Zembla-documentaire, is in Nederland een gesloten bolwerk, een vesting met DDR-structuren. Wie het pand alleen al nadert, loopt het risico afgeschoten te worden. Het bolwerk is vooral een CDA-bolwerk en is er overwegend op gericht om de Nederlandse bio-industrie in bescherming te nemen. Andere belangen als volksgezondheid wegen kennelijk minder en niet of nauwelijks als het gaat om natuur. De Q-koorts heeft daarom lang - als nergens anders ter wereld - zo hevig om zich heen kunnen grijpen als in Nederland.

Na de geplande ‘ruimingen’ is het perspectief voor een nieuwe start van de melkgeitensector weinig hoopgevend. Vaccinatie van dieren is mogelijk, maar het in Australië ontwikkelde vaccin heeft zijn waarde nog niet bewezen. Structurele preventieve medicatie betekent helaas ook voortgaan op de huidige weg. Vooralsnog lijken nóg drastischer isolatiemaatregelen van de productiedieren de enige uitweg. Gezien de zeer vergaande negatieve gevolgen van de landbouw op de volksgezondheid en op natuur en milieu in de vorm van verstoorde of geblokkeerde ecologische processen, alsmede klimaatverstorende invloeden, lijkt het raadzamer om de burger te stimuleren op een gebruik van een gezonder voedselspectrum met minder melk en vlees. Daarbij is het wenselijk dat niet alleen Nederlandse burgers worden voorgelicht, omdat het meeste geitenvlees en de melkproducten overwegend worden geëxporteerd.